Verzoeker, een Oekraïense vreemdeling, heeft op 13 maart 2024 de minister van Asiel en Migratie verzocht om de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op te schorten. De minister heeft niet op dit verzoek gereageerd, waarna verzoeker beroep heeft ingesteld en tevens een voorlopige voorziening heeft gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak gedaan zonder zitting. Op dezelfde dag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep in zaaknummer NL24.15191, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.