De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven vanwege overdracht van eiser aan Zwitserland, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam.
Eiser stelde dat zijn staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was, enkel gebaseerd op herkenning bij een eerdere controle. De rechtbank oordeelde echter dat de informatie uit de eerdere controle actueel en voldoende was om een redelijk vermoeden aan te nemen. Daarnaast waren de gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig reisdocument en het risico op onttrekking aan toezicht, voldoende en deugdelijk gemotiveerd.
Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had kunnen volstaan vanwege zijn hulp en onderkomen bij een stichting. De rechtbank verwierp dit omdat het onttrekkingsrisico en eerdere gedragingen van eiser dit niet rechtvaardigden. Ambtshalve toetsing aan Europese jurisprudentie bevestigde de rechtmatigheid van de maatregel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.