In deze zaak heeft eiser op 24 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, die op 22 september 2022 was ingediend. De minister van Asiel en Migratie heeft op 19 april 2024 de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Eiser heeft het beroep niet ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting.
De rechtbank overweegt dat de minister niet binnen de geldende termijn op de aanvraag heeft beslist en dat de aanvraag hangende het beroep is ingewilligd. Hierdoor heeft eiser geen procesbelang meer bij een verdere inhoudelijke beoordeling van het beroep, wat leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding toegewezen, omdat de minister is tegemoetgekomen aan het beroep van eiser. De proceskosten zijn vastgesteld op € 453,50, gebaseerd op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft de wegingsfactor 'licht' toegepast, aangezien het beroep enkel betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.