In deze zaak heeft verzoekster op 25 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2023, waarbij haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf bij [referent] was afgewezen. De minister van Asiel en Migratie, verweerder, heeft op 13 november 2024 het bezwaar gegrond verklaard. Verzoekster heeft vervolgens haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank, zittende in Middelburg, heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank overweegt dat de veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Aangezien verweerder niet tijdig op het bezwaar heeft beslist en het bezwaar hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen ongegrond heeft verklaard, is verweerder geheel tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen en verweerder veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Dit bedrag is vastgesteld op basis van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met toepassing van een wegingsfactor ‘licht’, aangezien het beroep enkel betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit. De uitspraak is gedaan op 30 oktober 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie.