De minister van Asiel en Migratie legde op 15 oktober 2025 een maatregel van bewaring op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 28 oktober 2025, gehouden via beeldverbinding, werd het beroep inhoudelijk behandeld.
De vreemdeling voerde aan dat hij tijdens een eerdere asielprocedure nog niet goed op de hoogte was van zijn rechten en plichten en daarom met onbekende bestemming was vertrokken. Nu wil hij de asielprocedure in Nederland afwachten en gebruikmaken van de voorzieningen van het COA. Hij stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er een reëel risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Dit risico is gebaseerd op het eerdere vertrek met onbekende bestemming in 2024, ondanks een lopende asielprocedure. De minister heeft terecht geconcludeerd dat geen minder ingrijpende maatregel dan bewaring doeltreffend is. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom afgewezen.