De zaak betreft een beroep tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 19 oktober 2025 aan eiser heeft opgelegd. Eiser voerde aan dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet correct is gehoord en dat hij een asielwens had geuit, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat eiser wel degelijk op 19 oktober 2025 is gehoord, ondanks dat het proces-verbaal later is gedateerd. Het enkele feit dat het proces-verbaal op 21 oktober 2025 is opgemaakt, doet niet af aan de juistheid van het gehoor op 19 oktober. Tevens is vastgesteld dat eiser tijdens het gehoor geen asielwens heeft geuit, omdat hij geen vrees voor onmenselijke behandeling door autoriteiten heeft verklaard.
De minister heeft de bewaring gebaseerd op juiste gronden, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. Hoewel eiser betoogde dat hij al jaren in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning heeft gehad, heeft de minister de zwaarste grond (3a) laten vallen. De overige gronden zijn voldoende gemotiveerd en dragen de maatregel.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.