ECLI:NL:RBDHA:2025:2011
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende zwaarwegendheid asielmotief
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verzocht op 7 juni 2024 om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 20 augustus 2024 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze afwijzing en verklaart het ongegrond.
De minister achtte de identiteit van eiser ongeloofwaardig omdat hij geen originele documenten overlegde, wisselende verklaringen gaf over zijn persoonsgegevens en geen oprechte inspanning toonde om zijn paspoort te verkrijgen. Eiser kon dit niet overtuigend weerleggen. De rechtbank bevestigt dat de minister terecht geen genoegen nam met kopieën en dat eiser onvoldoende meewerkte.
Daarnaast heeft de minister het tweede asielmotief, problemen in Algerije, niet op geloofwaardigheid beoordeeld maar op zwaarwegendheid. De rechtbank toetst alsof dit motief als geloofwaardig is aangenomen en oordeelt dat de minister terecht heeft overwogen dat deze problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om internationale bescherming te rechtvaardigen.
Het beroep is ontvankelijk omdat eiser nog procesbelang heeft, ondanks onduidelijkheid over zijn verblijfplaats. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende zwaarwegendheid van het asielmotief.