Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De minister ontving de aanvraag op 16 mei 2024 en had binnen 90 dagen moeten beslissen, met een verlenging van drie maanden. Eiser stelde de minister op 20 november 2024 in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht en gegrond is. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer de beslissing volgt. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, tenzij nader onderzoek wordt aangekondigd, dan geldt een termijn van twintig weken.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd bij overschrijding van de beslistermijn, met een maximum van € 15.000. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van € 453,50 aan eiser. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 februari 2025.