ECLI:NL:RBDHA:2025:20293

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
692931
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking van de kinderrechter over ondertoezichtstelling van een minderjarige met ernstige gedragsproblemen

Op 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2009. De kinderrechter heeft de Raad voor de Kinderbescherming als verzoeker gehoord, die zich zorgen maakt over de emotionele en gedragsproblemen van de minderjarige. De minderjarige vertoont problematisch gedrag, waaronder spijbelen, omgang met antisociale jongeren, en heeft zelfs een nacht in de cel doorgebracht. De moeder van de minderjarige heeft ingestemd met de ondertoezichtstelling, terwijl de vader niet aanwezig was op de zitting. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige ernstig zijn en dat eerdere hulpverlening niet heeft geleid tot verbetering. Daarom is besloten om de minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland. De kinderrechter heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat het van belang is dat de minderjarige meewerkt aan de hulpverlening en dat er diagnostiek zal plaatsvinden om zijn gedrag beter te begrijpen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/692931 / JE RK 25-1752
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland Noord,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] , namens de Raad;
- de moeder;
- [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
De vader is niet op de zitting verschenen. De vader heeft zich bij e-mailbericht van 22 oktober 2025 afgemeld voor de zitting, omdat hij vanwege zijn werk niet bij de zitting aanwezig kan zijn.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] is voorafgaand aan de zitting met de kinderrechter in gesprek gegaan. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Na afloop van de zitting heeft de kinderrechter uitspraak gedaan in het bijzijn van [minderjarige] en de beslissing aan hem uitgelegd.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn al meerdere jaren zorgen over de emotieregulatie van [minderjarige] , zijn zelfbepalende gedrag en spijbelen. Er zijn ook zorgen over zijn omgang met antisociale jongeren en respectloos gedrag tegenover volwassenen, zoals de moeder en de politie. [minderjarige] blowt en er zijn aanwijzingen van deelname binnen het criminele circuit. [minderjarige] heeft onlangs nog gebiedsverboden opgelegd gekregen en deze verbroken, wat er voor heeft gezorgd dat hij is opgepakt en een nacht in de cel moest verblijven. Ook zijn er zorgen over het schoolverzuim van [minderjarige] . Op dit moment gaat hij niet naar school en de dagbesteding bij [zorginstantie] verloopt wisselend, waarbij hij minimaal aanwezig is. Sinds kerst 2024 heeft [minderjarige] weinig tot geen contact meer met de vader. Daarvoor verliep het contact wisselend, met periodes van wel en geen contact. Ondanks dat [minderjarige] zijn vader heeft geblokkeerd, lijkt hij het toch moeilijk te hebben met het gebrek aan contact met de vader. Het gedrag van [minderjarige] kenmerkt zich door een patroon van pieken en dalen. [minderjarige] laat in bepaalde periodes een positieve ontwikkeling zien, waarbij hij meewerkt aan de hulpverlening, zich aan de gemaakte afspraken houdt, thuis slaapt en er in de thuissituatie minder spanningen zijn. Voor zowel [minderjarige] als voor het systeem is reeds al veel hulpverlening ingezet. Deze hulpverlening heeft de zorgen echter niet weg kunnen nemen en [minderjarige] valt regelmatig terug in oud gedrag. Diagnostiek is daarom nodig. Doordat er geen sprake is van contact tussen [minderjarige] en de vader, staat de moeder er als ouder alleen voor. Ondanks haar inzet en de ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader is het nog niet gelukt om de zorgen over [minderjarige] te verminderen. De Raad meent dat daarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Gelet op de forse zorgen en de tijd die nodig is om een vertrouwensband met [minderjarige] op te bouwen, is een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend.

4.De standpunten

4.1.
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. Volgens de moeder kan [minderjarige] in gesprekken sociaal wenselijk overkomen, maar is zijn gedrag in de thuissituatie heel anders. In het gesprek met de kinderrechter geeft [minderjarige] bijvoorbeeld aan dat het goed gaat op de dagbesteding, maar dit is niet het geval. Ook loopt [minderjarige] regelmatig weg van huis en dit baart de moeder grote zorgen. De moeder is bang dat zij hem kwijtraakt. [minderjarige] zoekt steeds vaker de grenzen op, ook op straat. Zijn gedrag wordt beïnvloed door de groep met wie hij omgaat. Ook het blow- en drinkgedrag van [minderjarige] heeft een negatieve invloed. Op de momenten dat het beter met [minderjarige] gaat, vermijdt hij het contact met de personen die een slechte invloed op hem hebben. [minderjarige] lijkt zich echter niet bewust van de mogelijke gevolgen van zijn gedrag en hij zet zich niet in voor een goede toekomt. In de nachten hangt hij op straat rond en hij gaat niet naar school. Volgens de moeder heeft [minderjarige] het gevoel dat hij overal mee wegkomt. Daarnaast is er op moment geen sprake van contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader houdt zich niet aan de omgangsregeling en de moeder heeft het gevoel dat [minderjarige] dit moeilijk vindt, maar dat hij zijn gevoelens wegstopt. Ook daar is hulpverlening voor nodig.
4.2.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat zij bij [minderjarige] betrokken is in verband met een lopende jeugdreclasseringsmaatregel. De gecertificeerde instelling meent – anders dan de Raad – dat de betrokken jeugdreclasseerder ook de rol van jeugdbeschermer op zich kan nemen. Dit voorkomt vertraging en daarnaast kunnen de jeugdreclassering en de jeugdbescherming niet los van elkaar worden gezien, aangezien er systeemgericht wordt gewerkt. De gecertificeerde instelling ziet een ondertoezichtstelling als een meerwaarde omdat de zorgen groot zijn. De straat heeft een sterke aantrekkingskracht op [minderjarige] en de groep waarin hij zich bevindt. Om meer zicht te krijgen op de situatie en om de krachten te bundelen, zal op korte termijn zal samen met de wijkagent, de jeugdagent en de betrokken ouders een gesprek plaatsvinden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . Er zijn al meerdere jaren ernstige zorgen over het problematische en zelfbepalende gedrag dat [minderjarige] vertoont. Hij heeft moeite met het reguleren van zijn emoties, waardoor hij (verbale) agressie laat zien en door zijn gedrag vinden er in de thuissituatie met de moeder veel escalaties plaats. [minderjarige] lijkt zich aan het gezag van de moeder te onttrekken, waardoor zij geen grip op hem heeft en hij zijn eigen plan trekt. Ook gaat hij al langere tijd niet naar school, terwijl dit juist zo belangrijk is voor zijn ontwikkeling en lukt het hem niet om naar de dagbesteding bij [zorginstantie] te gaan. In de nachten is [minderjarige] niet thuis en zwerft hij rond op straat, waarbij er ernstige zorgen bestaan over de groep waarin [minderjarige] zich dan begeeft en over zijn beïnvloedbaarheid. [minderjarige] blowt en hij komt in aanraking met de politie. [minderjarige] heeft al eens een nacht in de cel verbleven. De vrees bestaat dat [minderjarige] (verder) zal afglijden naar het criminele circuit. De kinderrechter ziet dat de moeder haar uiterste best doet om [minderjarige] te stimuleren in zijn ontwikkeling, maar dat zij steeds tegen het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] aanloopt. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] te begrenzen en zij lijkt overbelast te zijn geraakt. [minderjarige] lijkt zich echter niet bewust te zijn van de gevolgen van zijn gedrag en het is hem niet gelukt om te profiteren van de geboden hulpverlening. De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de zorgen kunnen worden weggenomen met enkel hulpverlening in het vrijwillig kader. In het vrijwillig kader is de afgelopen jaren al de nodige hulpverlening ingezet, maar dit heeft er niet toe geleid dat de zorgen over [minderjarige] zijn afgenomen. Ook heeft de geboden hulpverlening niet een blijvende gedragsverandering bij [minderjarige] teweeg gebracht. Integendeel, de zorgen lijken op dit moment alleen maar toe te nemen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer bij [minderjarige] betrokken raakt. Een jeugdbeschermer houdt toezicht op de ontwikkeling van [minderjarige] en zorgt ervoor dat passende hulpverlening voor [minderjarige] én de moeder wordt ingezet. De komende periode is het van belang dat in de thuissituatie bij de moeder hulpverlening wordt ingezet om de draagkracht van de moeder te versterken. Daarnaast
dient diagnostiek bij [minderjarige] te worden uitgevoerd, om zijn gedrag te kunnen duiden en om aan te kunnen sluiten bij wat [minderjarige] nodig. [minderjarige] heeft tegen de kinderrechter gezegd dat hij hieraan mee zal werken. De kinderrechter drukt [minderjarige] om het hart om zijn toezegging ook na te komen en om zich te houden aan de afspraken van de reeds betrokken jeugdreclasseerder. Het is [minderjarige] in het verleden gelukt om positieve stappen in zijn ontwikkeling te zetten. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat het [minderjarige] nu ook gaat lukken.
5.3.
Gelet op de bovengenoemde zorgen en de tijd die nodig zal zijn om deze weg te nemen, is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte termijn van één jaar passend en geboden is. De kinderrechter zal het verzoek – waartegen geen verweer is gevoerd – dan ook toewijzen als verzocht.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.