ECLI:NL:RBDHA:2025:20420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
11812727
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en terugbetaling brandstofkosten na niet geregistreerde verlofuren

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 7 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Zweminstituut Beheer B.V. en een werknemer, hierna aangeduid als Werknemer. De werkgever, Zweminstituut, verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, die volgens hen jarenlang verlofuren had genoten zonder deze te registreren. De werknemer, die sinds 1 november 2015 in dienst was en de functie van Operationeel Manager bekleedde, voerde aan dat er binnen het bedrijf een middelingsafspraak gold en dat hij geen urenfraude had gepleegd. De kantonrechter oordeelde dat er geen redelijke grond was voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hoewel de werknemer verwijtbaar had gehandeld door zijn verlof niet correct te registreren, was dit niet ernstig genoeg om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter wees het verzoek tot ontbinding af en oordeelde dat de werknemer weer tot het werk moest worden toegelaten. Daarnaast werd Zweminstituut veroordeeld tot betaling van € 705,97 aan de werknemer voor gemaakte brandstofkosten, omdat de tankpas ten onrechte was ingevorderd. De proceskosten werden eveneens voor rekening van Zweminstituut gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 11812727 \ RP VERZ 25-50544
Beschikking van 7 november 2025
in de zaak van
ZWEMINSTITUUT BEHEER B.V.,
gevestigd te Pijnacker,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: Zweminstituut,
gemachtigde: mr. B.A. Siesling,
tegen
[partij B],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: Werknemer,
gemachtigde: mr. R. Vane.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 23,
- het verweerschrift, met (voorwaardelijke) tegenverzoeken, met producties 1 t/m 18,
- de aanvullende producties 24 t/m 30 van de zijde van Zweminstituut,
- de aanvullende producties 19 t/m 22 aan de zijde van werknemer,
- de aanvullende productie 31 aan de zijde van Zweminstituut,
- de mondelinge behandeling van 10 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en namens Zweminstituut pleitaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Werknemer, geboren [geboortedatum] 1985, is sinds 1 november 2015 in dienst bij Zweminstituut. De functie van werknemer is sinds 1 juni 2021 Operationeel Manager met een loon van € 4.743,96 bruto per maand exclusief vakantiebijslag.
2.2.
In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst van werknemer staat dat hij 38 uur per week werkt en dat zijn werkweek bestaat uit zeven werkdagen. Werknemer kan geen aanspraak maken op overuren die behoren bij zijn functie als Operationeel Manager.
2.3.
Werknemer heeft de beschikking over een leaseauto. Daarop is van toepassing de regeling gebruik bedrijfsauto’s en poolauto’s. In die regeling is neergelegd dat de tankpas in bepaalde situaties kan worden ingenomen, zoals bij op non-actiefstelling van de desbetreffende werknemer.
2.4.
Zweminstituut maakt gebruik van het planningsprogramma Poolmanager. Daarin moeten de werknemers hun verlofdagen registreren. Werknemer heeft als een van de weinigen vanuit zijn functie de mogelijkheid om zijn eigen verlofregistratie te wijzigen.
2.5.
De Collectieve Arbeidsovereenkomst Zwembaden, Zwemscholen (hierna: de Cao) bepaalt in artikel 11 dat de werkgever een administratie moet bij houden van plus- en minuren van de werknemers. Overuren worden vergoed in de vorm van vrije tijd (artikel 12). De Cao is algemeen verbindend verklaard. In artikel 2 staat dat de Cao niet van toepassing is op de werknemer die is ingedeeld in een functie boven functieniveau 9 (zoals bedoeld in de functiematrix uit het Handboek Referentiefuncties).
2.6.
Op 18 juli 2022 heeft Zweminstituut een schaal 10 laag gecreëerd voor het management en is werknemer met zijn salaris per 1 juli 2022 in schaal 10 trede 5 geplaatst.
2.7.
Op 3 oktober 2024 heeft Zweminstituut een gesprek gevoerd met werknemer over gedragingen van werknemer die Zweminstituut als ongewenst heeft beschouwd. Daarbij heeft Zweminstituut een waarschuwing aan werknemer geven.
2.8.
Op 6 mei 2025 heeft Zweminstituut aan werknemer laten weten dat zijn functie komt te vervallen en dat toestemming gevraagd zou worden aan het UWV om hem te ontslaan op bedrijfseconomische gronden. Per 6 mei 2025 is werknemer vrijgesteld van werkzaamheden en heeft hij zijn spullen waaronder zijn tankpas moeten inleveren.
2.9.
Na de vrijstelling van werkzaamheden heeft werknemer zijn geplande verlofdagen van 7 mei 2025 en 10 juni tot en met 13 juni 2025 in Poolmanager teruggezet naar werkdagen.

3.Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

3.1.
Zweminstituut verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden, primair vanwege ernstig verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Zweminstituut heeft – kort weergegeven – aan het verzoek ten grondslag gelegd dat werknemer jarenlang urenfraude heeft gepleegd door verlofuren te genieten zonder deze te registreren. Werknemer heeft als leidinggevende een voorbeeldfunctie. Zweminstituut had niet hoeven te twijfelen aan de integriteit en onkreukbaarheid van werknemer. Subsidiair is de verstoorde arbeidsverhouding als grondslag aangevoerd. Als nevenvorderingen verzoekt Zweminstituut betaling van het netto equivalent van € 3.401,87, zijnde de schade die zij heeft geleden door de niet geregistreerde verlofuren, en verklaringen voor recht dat werknemer geen recht heeft op enige vergoeding.
3.2.
Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert – samengevat – aan dat hij geen urenfraude heeft gepleegd, omdat binnen Zweminstituut een middelingsafspraak gold. Dit houdt in dat verlofuren gecompenseerd werden met overuren. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao van toepassing op grond waarvan Zweminstituut verplicht een urenadministratie dient bij te houden ter zake de te compenseren plus- en minuren. Vergoeding van overuren kan in tijd en geld plaatsvinden. Zweminstituut heeft werknemer altijd voorgehouden dat hij geen aanspraak maakt op vergoeding van overuren. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt werknemer om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
3.3.
Werknemer heeft (voorwaardelijke) tegenverzoeken gedaan. Hij verzoekt te bepalen dat hij binnen één week na deze beschikking wordt opgeroepen en toegelaten tot het verrichten van de bedongen arbeid en de beschikking weer krijgt over de brandstofpas. Daarnaast verzoekt hij Zweminstituut te veroordelen tot betaling van € 705,97 aan brandstofkosten, te vermeerderen met alle nog door werknemer te maken brandstofkosten totdat hij weer de beschikking heeft over de brandstofpas. Als voorwaardelijke verzoeken heeft werknemer verzocht om toekenning van de transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 61.655,- bruto en betaling van de eindafrekening met een gespecificeerde eindafrekening van het verlof- en overurensaldo, de opgebouwde vakantiebijslag en overige emolumenten.

4.De beoordeling van het (tegen)verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een redelijke grond voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Verwijtbaar handelen (e-grond)?
4.4.
Zweminstituut heeft gesteld dat werknemer in de periode 18 februari 2022 tot 6 mei 2024 12 keer in Poolmanager heeft geregistreerd dat hij gewerkt heeft, terwijl hij feitelijk verlof genoot. In totaal gaat het om 115,5 verlofuren die werknemer ten onrechte als gewerkte uren heeft geregistreerd.
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer dit inhoudelijk niet gemotiveerd heeft weersproken. Het verweer van werknemer dat Poolmanager een vast rooster hanteert waarbij alleen de maandag tot en met de vrijdag als werkdag staan ingepland, terwijl hij ook op zaterdag en zondag werkt, maakt niet dat hij zijn verlofuren niet kan registreren in dat systeem. De gestelde middelingsafspraak waarbij de overuren konden worden gecompenseerd wordt betwist aan de zijde van Zweminstituut en niet verder onderbouwd door werknemer. Die afspraak lijkt ook niet te stroken met zijn eigen standpunt dat Zweminstituut, volgens hem in strijd met de Cao, overuren niet registreerde. De toelichting van werknemer tijdens de zitting dat uit Poolmanager zou moeten blijken dat zijn ‘verlof’ is afgeschreven van zijn overuren kan daarom al niet juist zijn. Zweminstituut registreerde immers zijn overuren niet. Volgens zijn verweerschrift (2.3) heeft hij die zelf ook niet geregistreerd. Voor zover bedoeld is dat de verlofuren zijn afgeschreven van zijn oude overuren (van voor 2021) is gelet op de betwisting daarvan onvoldoende gebleken dat werknemer die nog had.
4.6.
De kantonrechter trekt hieruit de conclusie dat werknemer zijn verlof niet conform de regels heeft geregistreerd. Maar heeft werknemer hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover Zweminstituut? Wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar. Kijkend naar de functie van werknemer, Operationeel Manager, in welke functie hij andere werknemers aanspreekt op onder meer het juist registreren van verlof en het nakomen van afspraken daaromtrent, is het werknemer aan te rekenen dat hij zelf die regels niet strikt naleeft. Zweminstituut moet daarop kunnen vertrouwen en dat vertrouwen is met deze handelwijze geschonden. Dat hier sprake is van fraude, zoals Zweminstituut heeft betoogd, acht de kantonrechter onvoldoende gebleken. Voor fraude moet genoegzaam blijken van (enige) opzet aan de kant van werknemer op het bevoordelen van zichzelf ten opzichte van Zweminstituut. Anders dan Zweminstituut heeft gesteld onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Limburg [3] , is in dit geval geen sprake van uitkering van overuren op basis van geregistreerde werkdagen, werknemer heeft een vast salaris en Zweminstituut betaalt overuren niet uit, ook niet in de vorm van verlof. Van enige benadeling is dan ook (nog) geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat werknemer meer verlof heeft opgenomen dan waarop hij recht had. De financiële benadeling komt mogelijk pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst als zijn openstaande verlofsaldo moet worden uitbetaald. Die situatie is nog niet aan de orde geweest. Het verzoek tot betaling van € 3.401,87 ter zake de schade die Zweminstituut stelt te hebben geleden door de niet geregistreerde verlofuren zal daarom worden afgewezen.
4.7.
De kantonrechter volgt werknemer in zijn betoog dat de algemeen verbindend verklaarde Cao van toepassing is op zijn arbeidsovereenkomst. Zweminstituut heeft gesteld dat de Cao niet van toepassing is omdat werknemer is ingedeeld in een functie boven functieniveau 9. Dat is echter niet juist. Werknemer is ingedeeld op functieniveau 9. Dit volgt uit de functiematrix in het Handboek Referentiefuncties waarin staat dat het management functieniveau 8 en 9 is. Een voorkomende functiebenaming die daar wordt genoemd is Operations Manager. De kantonrechter acht dat hetzelfde als Operationeel Manager, mede gezien de toelichting daarbij van de activiteiten die bij dat functieniveau horen. Dat werknemer met zijn salaris in schaal 10 zit maakt zijn functieniveau niet anders. De Cao heeft een minimum karakter en meer belonen is daarom toegestaan. Hoewel werknemer dus gelijk heeft dat de Cao van toepassing is op zijn arbeidsovereenkomst en dat Zweminstituut eventuele overuren had moeten registreren en werknemer die mag compenseren, maakt echter zijn handelen niet minder verwijtbaar. Feit is dat de overuren niet werden geregistreerd, noch door Zweminstituut noch door werknemer zelf, en compensatie niet werd toegepast. Er was op deze wijze dan ook geen enkele controle op de juistheid van de gestelde overuren van werknemer. Werknemer had als lid van het managementteam deze discussie eenvoudig ter sprake kunnen brengen in het managementoverleg. Niet gebleken is dat dit is gebeurd.
4.8.
Resumerend leidt het voorgaande tot de slotsom dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter acht de verwijtbare handelingen echter niet zodanig dat van Zweminstituut in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uit het dossier blijkt dat Zweminstituut de functie van werknemer wilde laten vervallen, maar dat zij gezien de constatering omtrent de verlofregistraties een andere weg heeft ingeslagen. In een normale situatie waarbij werknemer niet was vrijgesteld van werkzaamheden had de constatering geleid of in ieder geval moeten leiden tot een stevig gesprek met werknemer over zijn handelwijze met een officiële waarschuwing als gevolg. Temeer omdat, zoals al overwogen, Zweminstituut (vooralsnog) niet benadeeld is door de handelwijze van werknemer. In dit geval is echter, gezien de al ingeslagen weg om afscheid van werknemer te willen nemen, gekozen voor een andere, te zware maatregel namelijk ontslag.
Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)?
4.9.
Levert deze verwijtbare handeling samen met de gestelde onveiligheid die directe collega’s ervaren in de samenwerking dan een verstoorde arbeidsverhouding op, die zodanig is dat van Zweminstituut in redelijkheid niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst voortduurt? Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.10.
Naast de verwijtbare handeling omtrent de verlofregistraties heeft Zweminstituut aangevoerd dat vanaf november 2023 werknemer meermalen is geconfronteerd met klachten van medewerkers die zich niet veilig voelen door het gedrag van werknemer. Dit zou ook tijdens overleggen van het management zijn benoemd. Verder heeft Zweminstituut op 3 oktober 2024 in een gesprek met werknemer diverse ongewenste gedragingen aangekaart. In dit laatste gesprek zou een officiële waarschuwing zijn gegeven aan werknemer. Werknemer heeft verweer gevoerd tegen deze beschuldigingen. Van onveilige situaties is geen sprake geweest en bij eventuele pijnpunten tussen collega’s is dat steeds in een goed gesprek opgelost. De waarschuwing op 3 oktober 2024 was een monoloog van de directeur van Zweminstituut en de inhoud of de juistheid van de verwijten worden betwist. Van de klachten die in 2025 zijn gemeld bij Zweminstituut heeft werknemer pas bij verzoekschrift kennis genomen.
4.11.
De verwijten van Zweminstituut zien in de kern genomen op het (dis)functioneren van werknemer, zoals de wijze van communicatie met collega’s, het tijdens werktijd naar de kapper gaan of het ongewenst gebruik van de leaseauto door de echtgenote van werknemer. Wat er ook zij van de juistheid die beschuldigingen, werknemer betwist het merendeel daarvan. Deze beschuldigingen leiden niet vanzelfsprekend tot een verstoorde arbeidsverhouding. Dat dergelijk gedrag mogelijk irritaties opwekt bij Zweminstituut is begrijpelijk, maar zij had als werkgever het (dis)functioneren moeten benoemen bij werknemer en met hem moeten proberen het functioneren te verbeteren middels een verbetertraject. Het benoemen heeft Zweminstituut weliswaar gedaan, maar van een concreet verbetertraject met (tussentijdse) monitoring is niet gebleken. Deze procedure heeft uiteraard impact gehad op de arbeidsverhouding tussen partijen, maar dat de relatie tussen Zweminstituut en werknemer zodanig is verstoord dat voortduring van de arbeidsovereenkomst niet meer gevergd kan worden is niet gebleken.
4.12.
Omdat vastgesteld is dat geen van de aangevoerde ontslaggronden voldragen zijn en er evenmin voldaan wordt aan de combinatie grond (i-grond) zal het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden afgewezen.
Wedertewerkstelling
4.13.
Nu de arbeidsovereenkomst blijft voortbestaan zal werknemer weer toegelaten moeten worden tot het werk. Voor de hand liggend is dat eerst een goed gesprek of mediation zal moeten plaatsvinden alvorens werknemer weer aan de slag kan. Dat brengt mee dat de verzochte bepaling om binnen een week na de beschikking weer toegelaten te worden tot de bedongen arbeid niet haalbaar wordt geacht. De kantonrechter zal die termijn stellen op één maand.
Brandstofpas en schadevergoeding
4.14.
Werknemer verzoekt vergoeding van gemaakte brandstofkosten, omdat Zweminstituut de tankpas ten onrechte heeft ingevorderd. Uit de overgelegde voorwaarden van de leaseauto blijkt dat Zweminstituut gerechtigd is de leaseovereenkomst tussentijds te beëindigen als werknemer bijvoorbeeld op non-actief wordt gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Zweminstituut erkend dat non-actiefstelling een negatieve connotatie heeft en dat zij op 6 mei 2025 werknemer niet op non-actief heeft gesteld, maar slechts heeft vrijgesteld van werkzaamheden. Nadat de reden voor het einde van de arbeidsovereenkomst van kleur is verschoten in verband met de geconstateerde fouten in de verlofregistraties van werknemer heeft Zweminstituut geen wijziging gebracht in de reden voor de vrijstelling van de werkzaamheden. Dat maakt dat Zweminstituut op 6 mei 2025 ten onrechte de tankpas heeft ingevorderd en gehouden is de gemaakte brandstofkosten te vergoeden. De hoogte van de nu gevorderde kosten van € 705,97 zijn niet bestreden. Gelet op de wedertewerkstelling heeft werknemer belang bij de tankpas. De brandstofkosten die zijn gemaakt totdat de tankpas is teruggegeven komen ook voor vergoeding in aanmerking.
4.15.
De voorwaardelijke verzoeken behoeven geen bespreking omdat aan de voorwaarde niet wordt voldaan.
Proceskosten in het verzoek en tegenverzoek
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van Zweminstituut, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van werknemer worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.1.
wijst het ontbindingsverzoek van Zweminstituut af,
5.2.
veroordeelt Zweminstituut om werknemer binnen één maand na de betekening van deze beschikking weer tot het werk toe te laten,
5.3.
veroordeelt Zweminstituut om de tankpas binnen één week na de betekening van deze beschikking aan werknemer te verstrekken,
5.4.
veroordeelt Zweminstituut om aan werknemer te betalen een bedrag van € 705,97 ter zake brandstofkosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf heden tot dat het bedrag volledig is betaald, alsmede met de gemaakte en nog te maken brandstofkosten totdat de tankpas is teruggeven, dit laatste te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet tijdig aan de aanschrijving wordt voldaan,
5.5.
veroordeelt Zweminstituut in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Zweminstituut niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt Zweminstituut in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.7.
verklaart deze beschikking voor het onder 5.2 t/m 5.6 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.