ECLI:NL:RBDHA:2025:20436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2502090:R-RK en NL:TZ:2502114:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord bij problematische schulden

Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €39.629,34 verdeeld over 16 schuldeisers. Hij heeft een prognoseakkoord aangeboden waarbij een deel van de vorderingen wordt voldaan en het restant wordt kwijtgescholden. Hoewel 14 schuldeisers hiermee instemden, weigerden Educatie Instituut en PSB Bank mee te werken.

De rechtbank heeft het verzoek van verzoeker behandeld om een dwangakkoord op te leggen aan de weigerende schuldeisers. De schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Gouda, een bevoegde instantie, en het voorstel is goed gedocumenteerd. In de belangenafweging weegt de rechtbank mee dat verzoeker het maximaal haalbare voorstel heeft gedaan en dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers gunstiger is dan de WSNP.

De rechtbank concludeert dat de weigering van de schuldeisers onredelijk is en legt het dwangakkoord op. Hierdoor vervalt het belang van verzoeker bij toelating tot de WSNP, die daarom wordt afgewezen. De gemeente houdt toezicht op de uitvoering van het akkoord.

Uitkomst: De rechtbank legt het dwangakkoord op en wijst het verzoek tot toelating tot de WSNP af.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2502090:R-RK en NL:TZ:2502114:R-RK
vonnis van 3 november 2025
in de zaak van
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen

1.Educatie Instituut,

gevestigd te Utrecht,
hierna: Educatie,
en
2. PSB Bank, vertegenwoordigd door Heijkoop & Partners Gerechtsdeurwaarders,
gevestigd te Willemstad (Curaçao, Nederlandse Antillen),
hierna: PSB,
hierna gezamenlijk: verweersters.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers, waarbij een deel van de vordering wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeiser wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 39.629,34 aan 16 schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de gemeente Gouda heeft hij voor het laatst op 13 augustus 2024 een schuldregeling aangeboden (prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 18 maanden aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering wordt aangeboden van 5,27% en aan de gewone schuldeisers een uitkering van 2,63%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. Deze percentages zijn gebaseerd op de afloscapaciteit van [verzoeker] op basis van zijn inkomen. Dat betekent dat de afloscapaciteit (en daarmee ook de uiteindelijke uitkering aan de schuldeisers) eventueel hoger of lager kan uitvallen.
1.2.
Educatie is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan Educatie van € 3.150,-, dat is 7,95% van de totale schuldenlast.
1.3.
PSB is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan PSB van € 16.035,24, dat is 40,46% van de totale schuldenlast.
1.4.
De overige 14 schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.5.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank verweersters dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 3 november 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- [naam] , schuldhulpverlener van de gemeente Gouda.
2.2.
Verweersters zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Verweersters hebben hun standpunt niet kenbaar gemaakt aan de rechtbank.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweersters weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de gemeente Gouda. Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeisers en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoeker] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoeker] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. [verzoeker] heeft na een bedrijfsongeval op 16 december 2021 twee jaar een ZW-uitkering ontvangen, waarna hij vervolgens een WW-uitkering ontving. In de zomer van 2025 heeft [verzoeker] gewerkt (en is daardoor aannemelijk dat hij in de periode daarvoor heeft gesolliciteerd), maar bleek dit vanwege zijn lichamelijke klachten niet houdbaar. Hij is vervolgens in augustus 2025 geopereerd, waarvan hij momenteel nog herstellende is. De verwachting is dat hij op afzienbare termijn, met behulp van een re-integratietraject via een werk-consulent van de gemeente, weer op zoek kan naar betaald werk. Een toename van inkomsten met eventueel afloscapaciteit tot gevolg, zal gelet op het feit dat een prognoseakkoord is aangeboden ten goede komen van de schuldeisers.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De vorderingen van verweersters bedragen met 48,41% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast. Dat brengt aan de ene kant mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat verweersters hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. Tegelijk kent de wet niet een bijzondere positie toe aan schuldeisers die een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. De rechtbank kan dus het dwangakkoord ook toewijzen wanneer de weigerende schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. In dit geval is van belang dat de meerderheid van de schuldeisers (namelijk 14 van de 16 schuldeisers), die samen meer dan de helft van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, wél met de aangeboden regeling hebben ingestemd.
4.8.
Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Toepassing van de WSNP leidt tot hoge kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Hierdoor blijft een lagere uitkering voor de schuldeisers over. In de aangeboden schuldregeling houdt de gemeente Gouda gedurende de looptijd toezicht op de inkomsten en uitgaven van [verzoeker] , zodat gewaarborgd is dat het maximaal haalbare bedrag zal worden uitgekeerd aan de schuldeisers. Van het bedrag dat [verzoeker] spaart, worden de kosten voor schuldbemiddeling afgetrokken. De kosten voor schuldbemiddeling zijn minder hoog dan die van een bewindvoerder in een WSNP-traject.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.9.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [verzoeker] geen belang meer bij zijn verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt verweersters in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. J.R. Hagendoorn, rechter, in samenwerking met C.R. Cortenbach-van der Lek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.