ECLI:NL:RBDHA:2025:20441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 238 e.v.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen belastingaanslagen BPM voor 94 voertuigen met CO2-uitstoot en leeftijdskorting

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in een beroep van [bedrijf] B.V. tegen de inspecteur van de Belastingdienst. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die zij op aangifte heeft voldaan voor 94 auto’s. De inspecteur heeft de bezwaren ongegrond verklaard, maar heeft voor 76 auto’s de verschuldigde bpm met € 35.590 verminderd door toepassing van extra leeftijdskorting. Eiseres heeft beroep ingesteld en verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaken vanwege prejudiciële vragen van het Gerechtshof Amsterdam, maar dit verzoek is afgewezen door de rechtbank. Tijdens de zitting op 14 oktober 2025 zijn eiseres en haar gemachtigde niet verschenen, terwijl de inspecteur wel vertegenwoordigd was.

De rechtbank heeft de feiten en geschilpunten in de zaak vastgesteld. Eiseres betwistte dat de verschuldigde bpm te hoog was vastgesteld, met name vanwege de CO2-uitstoot die volgens haar te hoog was door de WLTP/NEDC2-methode. Eiseres heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, maar de rechtbank oordeelde dat de uitlatingen van de Staatssecretaris van Financiën geen in rechte te beschermen vertrouwen opleveren. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn met een lagere CO2-uitstoot.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en eiseres recht gegeven op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de schadevergoeding vastgesteld op € 5.000, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn is berekend. Daarnaast zijn de proceskosten en het griffierecht vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/238, SGR 24/242, SGR 24/243, SGR 24/244, SGR 24/245, SGR 24/248, SGR 24/251, SGR 24/252, SGR 24/255, SGR 24/256, SGR 24/264, SGR 24/265, SGR 24/266, SGR 24/267, SGR 24/268, SGR 24/269, SGR 24/270, SGR 24/271, SGR 24/272, SGR 24/274, SGR 24/278, SGR 24/280, SGR 24/281, SGR 24/282, SGR 24/285, SGR 24/287, SGR 24/289, SGR 24/290, SGR 24/292, SGR 24/294, SGR 24/296, SGR 24/297, SGR 24/299, SGR 24/301, SGR 24/310, SGR 24/312, SGR 24/313, SGR 24/314, SGR 24/319, SGR 24/320, SGR 24/323, SGR 24/326, SGR 24/331, SGR 24/334, SGR 24/344, SGR 24/347, SGR 24/352, SGR 24/355, SGR 24/357, SGR 24/366, SGR 24/367, SGR 24/372, SGR 24/374, SGR 24/375, SGR 24/379, SGR 24/381, SGR 24/385, SGR 24/386, SGR 24/388, SGR 24/404, SGR 24/405, SGR 24/406, SGR 24/407, SGR 24/408, SGR 24/409, SGR 24/410, SGR 24/412, SGR 24/415, SGR 24/416, SGR 24/421, SGR 24/422, SGR 24/423, SGR 24/424, SGR 24/425, SGR 24/427, SGR 24/429, SGR 24/431, SGR 24/432, SGR 24/433, SGR 24/434, SGR 24/435, SGR 24/436, SGR 24/438, SGR 24/440, SGR 24/441, SGR 24/442, SGR 24/443, SGR 24/444, SGR 24/445. SGR 24/448. SGR 24/450, SGR 24/451, SGR 24/452 en SGR 25/6610 [1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2025 in de 94 zaken tussen

[bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en
de Staat der Nederlanden, de staatssecretaris Rechtsbescherming (voorheen: de Minister voor Rechtsbescherming),de Staat.

Procesverloop

Eiseres heeft voor 94 auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan en tegen deze voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt. Het eerste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 12 februari 2019.
Bij de hoorzitting voor alle 94 auto’s heeft eiseres voor een deel van de auto’s verzocht om toepassing van extra leeftijdskorting en/of artikel 16a van de Wet bpm.
Verweerder heeft bij een in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar van
4 december 2023 de bezwaren ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder voor 76 auto’s de verschuldigde bpm met in totaal € 35.590 verminderd door de toepassing van extra leeftijdskorting en/of artikel 16a van de Wet bpm.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft op 2 oktober 2025 de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaken aan te houden. Eiseres heeft hierom verzocht vanwege de prejudiciële vragen gesteld door Gerechtshof Amsterdam [2] en de conclusie van A-G Ettema en A-G Koopman van
5 september 2025. [3] Eiseres heeft deze vragen en conclusie bijgevoegd bij haar verzoek. De rechtbank heeft dit uitstelverzoek afgewezen, omdat zij een langere behandeltijd van het beroep in strijd acht met een goede procesorde. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase reeds ruimschoots is overschreden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Namens verweerder zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.

Overwegingen

Feiten
1. Dit beroep ziet op 94 auto’s. Een overzicht van deze auto’s en de bijbehorende zaaknummers is als bijlage opgenomen bij deze uitspraak.

Geschil2. In geschil is of de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of:

- bij de berekening van de verschuldigde bpm is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot vanwege de toepassing van de WLTP/NEDC2-methode (gelet op artikel 110 van het VWEU, het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel);
- de verschuldigde bpm voor 24 auto’s dient te worden verminderd gelet op de toepassing van (extra) leeftijdskorting en/of artikel 16a dan wel artikel 10b van de Wet bpm.
3. Eiseres stelt primair dat de verschuldigde bpm met € 25.142 dient te worden verminderd. Eiseres heeft twee subsidiaire standpunten ingenomen, namelijk dat de (i) verschuldigde bpm met € 7.443 dient te worden verminderd en (ii) dat de CO2-uitstoot bij de benzineauto’s met 1 gram en bij de dieselauto’s met 7 gram dient te worden verminderd en dat de verschuldigde bpm dienovereenkomstig dient te worden verminderd. Verder verzoekt eiseres de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen op € 10.000 gelet op het grote aantal samenhangende zaken.
4. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
WLTP/NEDC2-methode
5. Eiseres stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 110 van het VWEU.
6. Eiseres heeft in dit kader gewezen op onderzoek door JATO, Bovag, KPMG en onderzoek door het kantoor van de gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen teveel bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld.
7. Hoewel de transitieregeling op zichzelf niet een op grond van artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse personenauto’s, kan onder omstandigheden toch sprake zijn van een schending van die bepaling. Het kan immers zo zijn dat de CO2-uitstoot van een buitenlandse personenauto en een gelijksoortige binnenlandse personenauto die is geregistreerd in de periode 1 september 2018 tot
1 september 2019 vanwege de restantvoorraadregeling volgens verschillende methoden wordt, respectievelijk is, vastgesteld en dat daardoor voor de buitenlandse personenauto een hoger bedrag aan bpm wordt geheven dan is geheven voor de binnenlandse personenauto. [4]
8. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen. [5]
9. De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet heeft gesteld dat aan de hierboven genoemde twee voorwaarden is voldaan. Eiseres heeft wel voor 20 auto’s aangevoerd dat er (technisch bezien) gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die een lagere CO2-uitstoot hebben. Volgens eiseres wordt dit verschil in CO2-uitstoot enkel veroorzaakt door de WLTP/NEDC2-meetmethode. Dit standpunt van eiseres ziet op de auto’s met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] , [kenteken 3] , [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 10] , [kenteken 11] , [kenteken 12] , [kenteken 13] , [kenteken 14] , [kenteken 15] , [kenteken 16] , [kenteken 17] , [kenteken 18] , [kenteken 19] en [kenteken 20] . Voor elk van deze 20 auto’s heeft eiseres meerdere referentievoertuigen aangedragen.
10. Verweerder heeft weersproken dat sprake is van gelijksoortige auto’s en ter zitting toegelicht hoe bepaalde verschillen tussen auto’s (zoals een andere spoorbreedte of andere massa rijklaar) de CO2-uitstoot kunnen beïnvloeden. Verder heeft verweerder terecht verklaard dat de 20 onderhavige auto’s een ander EU-typegoedkeuringsnummer hebben dan de door eiseres aangedragen referentievoertuigen.
11. Eiseres heeft haar stelling dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die op essentiële punten identiek zijn maar een lagere CO2-uitstoot hebben die enkel wordt veroorzaakt door een andere meetmethode, gelet op het voorgaande én op het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024 [6] , niet aannemelijk gemaakt. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat er meer belasting wordt geheven op de in geschil zijnde voertuigen dan er nog op vergelijkbare binnenlandse voertuigen rust. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat slechts 10 van de 20 auto’s voor het eerst zijn toegelaten op het verkeer op de weg in de periode vanaf 1 september 2018 tot 1 september 2019. Het beroep op artikel 110 van het VWEU slaagt niet. De conclusie van A-G Ettema en A-G Koopman van 5 september 2025 [7] geeft de rechtbank geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
12. Eiseres stelt voorts dat zij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk. [8]
De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiseres zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiseres kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. [9]
13. Voor zover eiseres zich in meer algemene zin beroept op het rechtszekerheidsbeginsel kan dat beroep evenmin slagen. Belastingplichtigen kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven. [10] Er bestaat geen grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.
14. Eiseres stelt subsidiair dat de CO2-uitstoot op basis van onderzoek door TNO dient te worden verminderd met 1 gram voor benzineauto’s en 7 gram voor dieselauto’s. Ook voor het onderzoek door TNO geldt dat een dergelijk algemeen onderzoek niet kan worden toegepast op de onderhavige auto’s. De rechtbank ziet dus ook in dat onderzoek geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot.
Extra leeftijdskorting en tarief uit 2018
15. Eiseres heeft ten aanzien van 24 auto’s een beroep op extra leeftijdskorting gedaan. Dit betreffen de auto’s genoemd in onderstaande tabel. Voor 2 van deze 24 auto’s (de auto’s met de kentekens [kenteken 21] en [kenteken 22] ) heeft eiseres ook een beroep gedaan op het voordeligere tarief uit 2018, omdat de datum eerste toelating van deze auto’s is gelegen in de eerste twee maanden van 2019.
16. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar voor 16 van de 24 onderhavige auto’s al extra leeftijdskorting en/of artikel 16a van de Wet bpm heeft toegepast. Dit heeft reeds tot de onderstaande teruggaven geleid.
Kenteken
VIN (chassisnummer)
Teruggaaf verleend bij uitspraak op bezwaar
[kenteken 12]
[chassis 1]
€ 312
[kenteken 3]
[chassis 2]
€ 0
[kenteken 23]
[chassis 3]
€ 163
[kenteken 24]
[chassis 4]
€ 0
[kenteken 19]
[chassis 5]
€ 0
[kenteken 2]
[chassis 6]
€ 123
[kenteken 25]
[chassis 7]
€ 319
[kenteken 26]
[chassis 8]
€ 983
[kenteken 27]
[chassis 9]
€ 54
[kenteken 28]
[chassis 10]
€ 194
[kenteken 29]
[chassis 11]
€ 0
[kenteken 30]
[chassis 12]
€ 290
[kenteken 22]
[chassis 13]
€ 485
[kenteken 31]
[chassis 14]
€ 64
[kenteken 32]
[chassis 15]
€ 152
[kenteken 33]
[chassis 16]
€ 0
[kenteken 1]
[chassis 17]
€ 642
[kenteken 7]
[chassis 18]
€ 0
[kenteken 34]
[chassis 19]
€ 808
[kenteken 35]
[chassis 20]
€ 785
[kenteken 36]
[chassis 21]
€ 138
[kenteken 37]
[chassis 22]
€ 0
[kenteken 38]
[chassis 23]
€ 0
[kenteken 39]
[chassis 24]
€ 780
17. Verweerder heeft daarnaast voor alle 24 auto’s gesteld dat de verschuldigde bpm niet te hoog is vastgesteld dan wel dat de verschuldigde bpm eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft dit standpunt, dat hij ten aanzien van het voertuig met het kenteken [kenteken 27] eerst ter zitting heeft ingenomen, als volgt onderbouwd en heeft hierbij voor meerdere auto’s berekeningen van de verschuldigde bpm overgelegd:
- Voor 12 van de 24 auto’s stelt verweerder dan ten onrechte rekening is gehouden met 100% schadeaftrek. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 19] , [kenteken 34] , [kenteken 35] , [kenteken 39] , [kenteken 37] , [kenteken 38] , [kenteken 28] , [kenteken 25] , [kenteken 22] , [kenteken 32] , [kenteken 31] en [kenteken 26] .
- Voor 9 van de 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat de “aflevering klaarmaken ex-huurauto” ten onrechte als schade in aftrek is gebracht. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 34] , [kenteken 35] , [kenteken 39] , [kenteken 37] , [kenteken 38] , [kenteken 28] , [kenteken 32] , [kenteken 31] en [kenteken 26] .
- Voor 6 van de 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat een koerslijst is gebruikt waarbij ex-rental is aangevinkt, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een intensief gebruikte huurauto waarvoor een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen. Hierdoor is niet de juiste koerslijst gebruikt en had aangifte moeten worden gedaan op basis van de forfaitaire tabel. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 29] , [kenteken 33] , [kenteken 7] , [kenteken 36] , [kenteken 1] en [kenteken 27] .
- Voor 2 van deze 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat het “Nederlandstalig boekenpakket” ten onrechte als schade in aftrek is gebracht. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 34] en [kenteken 32] .
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 27] heeft verweerder ter zitting (aanvullend) aangevoerd dat ten onrechte rekening is gehouden met 95% schadeaftrek en dat het taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de waardevermindering vanwege meerdere tegenstrijdigheden in het rapport.
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 12] stelt verweerder dat geen koerslijst is bijgevoegd bij de aangifte bpm en dat eiseres aangifte had moeten doen op basis van de forfaitaire tabel.
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 24] stelt verweerder dat bij de aangifte de verkeerde koerslijst is gebruikt, aangezien de auto een Alpina en de koerslijst ziet op een BMW. Eiseres had aangifte moeten doen op basis van de forfaitaire tabel.
18. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting – zoals hier het geval is – aannemelijk moet maken. [11] Het is dus aan eiseres om de door haar gestelde waardeverminderende omstandigheden, zoals de 100% schadeaftrek en de kwalificatie van bepaalde auto’s als ex-rental, aannemelijk te maken. Eiseres heeft in beroep echter niets aangevoerd of overgelegd ter onderbouwing hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres dan ook niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
Conclusie
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de verschuldigde bpm niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
20. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
21. Verweerder heeft de eerste bezwaarschriften inzake de onderhavige zaken ontvangen op 12 februari 2019. De rechtbank doet op 31 oktober 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daardoor overschreden met, naar boven afgerond, vier jaar en negen maanden (totaal: 57 maanden). Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 5.000. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiseres is verzocht gelet op het grote aantal van bijna 100 voertuigen, de vergoeding van immateriële schade te verhogen tot € 10.000. Aangezien verweerder met dagtekening 4 december 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, het beroepschrift is ontvangen op 21 december 2023 en de rechtbank op 31 oktober 2025 uitspraak doet, is de termijnoverschrijding voor
€ 4.561,40 (52/57 deel van € 5.000) toe te rekenen aan verweerder en voor € 438,60 (5/57 deel van € 5.000) aan de Staat.
22. Voor de volledigheid vermeldt de rechtbank dat de redelijke termijn reeds was overschreden op 14 juni 2024 en dat eiseres voorafgaand aan deze datum om de vergoeding van immateriële schade had verzocht, waardoor voor deze zaken het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024 [12] geldt.
Proceskosten en griffierecht
23. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 [13] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 340,13 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907, wegingsfactor 0,25 en factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken).
24. Eiseres heeft reeds voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [14] verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was op 31 mei 2024 ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te laten vergoeden. Verweerder en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht en de proceskosten te vergoeden. [15]
25. Alle bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de Wet bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€ 4.561,40;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 438,60;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 170,07;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 170,06;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht € 182,50 aan eiseres te vergoeden;
- draagt de Staat op het door eiseres betaalde griffierecht € 182,50 aan eiseres te vergoeden;
- draagt verweerder en de Staat op om de toegekende vergoedingen en het griffierecht te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2025.
de griffier is verhinderd
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Bijlage: Zaaknummers en auto’s

Zaaknummer
VIN (chassisnummer)
Kenteken
SGR 24/238
[chassis 6]
[kenteken 2]
SGR 24/242
[chassis 2]
[kenteken 3]
SGR 24/243
[chassis 25]
[kenteken 8]
SGR 24/244
[chassis 26]
[kenteken 9]
SGR 24/245
[chassis 27]
[kenteken 40]
SGR 24/248
[chassis 28]
[kenteken 41]
SGR 24/251
[chassis 29]
[kenteken 14]
SGR 24/252
[chassis 30]
[kenteken 13]
SGR 24/255
[chassis 31]
[kenteken 42]
SGR 24/256
[chassis 32]
[kenteken 18]
SGR 24/264
[chassis 5]
[kenteken 19]
SGR 24/265
[chassis 33]
[kenteken 43]
SGR 24/266
[chassis 3]
[kenteken 23]
SGR 24/267
[chassis 34]
[kenteken 44]
SGR 24/268
[chassis 35]
[kenteken 16]
SGR 24/269
[chassis 36]
[kenteken 45]
SGR 24/270
[chassis 11]
[kenteken 29]
SGR 24/271
[chassis 37]
[kenteken 20]
SGR 24/272
[chassis 38]
[kenteken 5]
SGR 24/274
[chassis 16]
[kenteken 33]
SGR 24/278
[chassis 18]
[kenteken 7]
SGR 24/280
[chassis 39]
[kenteken 4]
SGR 24/281
[chassis 40]
[kenteken 46]
SGR 24/282
[chassis 41]
[kenteken 47]
SGR 24/285
[chassis 42]
[kenteken 5]
SGR 24/287
[chassis 43]
[kenteken 11]
SGR 24/289
[chassis 1]
[kenteken 12]
SGR 24/290
[chassis 44]
[kenteken 47]
SGR 24/292
[chassis 19]
[kenteken 34]
SGR 24/294
[chassis 45]
[kenteken 48]
SGR 24/296
[chassis 46]
[kenteken 49]
SGR 24/297
[chassis 47]
[kenteken 50]
SGR 24/299
[chassis 48]
[kenteken 51]
SGR 24/301
[chassis 49]
[kenteken 15]
SGR 24/310
[chassis 50]
[kenteken 17]
SGR 24/312
[chassis 51]
[kenteken 52]
SGR 24/313
[chassis 52]
[kenteken 53]
SGR 24/314
[chassis 53]
[kenteken 54]
SGR 24/319
[chassis 20]
[kenteken 35]
SGR 24/320
[chassis 24]
[kenteken 39]
SGR 24/323
[chassis 21]
[kenteken 36]
SGR 24/326
[chassis 54]
[kenteken 55]
SGR 24/331
[chassis 51]
[kenteken 56]
SGR 24/334
[chassis 52]
[kenteken 57]
SGR 24/344
[chassis 22]
[kenteken 37]
SGR 24/347
[chassis 23]
[kenteken 38]
SGR 24/352
[chassis 53]
[kenteken 58]
SGR 24/355
[chassis 10]
[kenteken 28]
SGR 24/357
[chassis 54]
[kenteken 59]
SGR 24/366
[chassis 55]
[kenteken 60]
SGR 24/367
[chassis 56]
[kenteken 61]
SGR 24/372
[chassis 57]
[kenteken 62]
SGR 24/374
[chassis 58]
[kenteken 63]
SGR 24/375
[chassis 59]
[kenteken 64]
SGR 24/379
[chassis 60]
[kenteken 65]
SGR 24/381
[chassis 7]
[kenteken 25]
SGR 24/385
[chassis 61]
[kenteken 66]
SGR 24/386
[chassis 62]
[kenteken 67]
SGR 24/388
[chassis 63]
[kenteken 68]
SGR 24/404
[chassis 12]
[kenteken 30]
SGR 24/405
[chassis 13]
[kenteken 22]
SGR 24/406
[chassis 64]
[kenteken 69]
SGR 24/407
[chassis 65]
[kenteken 70]
SGR 24/408
[chassis 66]
[kenteken 71]
SGR 24/409
[chassis 67]
[kenteken 72]
SGR 24/410
[chassis 4]
[kenteken 24]
SGR 24/412
[chassis 68]
[kenteken 73]
SGR 24/415
[chassis 69]
[kenteken 74]
SGR 24/416
[chassis 70]
[kenteken 75]
SGR 24/421
[chassis 71]
[kenteken 76]
SGR 24/422
[chassis 72]
[kenteken 77]
SGR 24/423
[chassis 73]
[kenteken 78]
SGR 24/424
[chassis 74]
[kenteken 79]
SGR 24/425
[chassis 75]
[kenteken 80]
SGR 24/427
[chassis 76]
[kenteken 81]
SGR 24/429
[chassis 77]
[kenteken 82]
SGR 24/431
[chassis 78]
[kenteken 83]
SGR 24/432
[chassis 79]
[kenteken 84]
SGR 24/433
[chassis 15]
[kenteken 32]
SGR 24/434
[chassis 80]
[kenteken 85]
SGR 24/435
[chassis 14]
[kenteken 31]
SGR 24/436
[chassis 81]
[kenteken 86]
SGR 24/438
[chassis 9]
[kenteken 27]
SGR 24/440
[chassis 82]
[kenteken 87]
SGR 24/441
[chassis 83]
[kenteken 88]
SGR 24/442
[chassis 84]
[kenteken 89]
SGR 24/443
[chassis 85]
[kenteken 90]
SGR 24/444
[chassis 86]
[kenteken 91]
SGR 24/445
[chassis 87]
[kenteken 92]
SGR 24/448
[chassis 88]
[kenteken 93]
SGR 24/450
[chassis 8]
[kenteken 26]
SGR 24/451
[chassis 89]
[kenteken 94]
SGR 24/452
[chassis 90]
[kenteken 95]
SGR 25/6610
[chassis 17]
[kenteken 1]

Voetnoten

1.Zie onder 1, hieronder.
2.Zaaknummer BK-AMS 23/498.
3.Conclusie van 5 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:959.
4.Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.5.
5.Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2 en r.o. 7.
6.Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.
7.Conclusie van 5 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:959.
8.Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1401, p. 2; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 46, p. 1; Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 5, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr 48, p. 42; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 56, p. 45.
9.Vgl. Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.
10.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.
11.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1449 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2843.
12.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.
13.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.
14.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
15.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, 3.14.2.