Geschil2. In geschil is of de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of:
- bij de berekening van de verschuldigde bpm is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot vanwege de toepassing van de WLTP/NEDC2-methode (gelet op artikel 110 van het VWEU, het vertrouwensbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel);
- de verschuldigde bpm voor 24 auto’s dient te worden verminderd gelet op de toepassing van (extra) leeftijdskorting en/of artikel 16a dan wel artikel 10b van de Wet bpm.
3. Eiseres stelt primair dat de verschuldigde bpm met € 25.142 dient te worden verminderd. Eiseres heeft twee subsidiaire standpunten ingenomen, namelijk dat de (i) verschuldigde bpm met € 7.443 dient te worden verminderd en (ii) dat de CO2-uitstoot bij de benzineauto’s met 1 gram en bij de dieselauto’s met 7 gram dient te worden verminderd en dat de verschuldigde bpm dienovereenkomstig dient te worden verminderd. Verder verzoekt eiseres de rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn vast te stellen op € 10.000 gelet op het grote aantal samenhangende zaken.
4. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat de verschuldigde bpm te hoog is vastgesteld en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
WLTP/NEDC2-methode
5. Eiseres stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 110 van het VWEU.
6. Eiseres heeft in dit kader gewezen op onderzoek door JATO, Bovag, KPMG en onderzoek door het kantoor van de gemachtigde (de onderzoeken) waaruit volgens haar volgt dat de uitstoot volgens de WLTP/NEDC2-methode hoger ligt dan de CO2-uitstoot van vergelijkbare voertuigen die zijn getest volgens de NEDC1-methode. Met de enkele verwijzing naar de onderzoeken heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in de onderhavige gevallen teveel bpm is voldaan. De conclusies van dergelijke algemene en brede onderzoeken kunnen niet rechtstreeks worden toegepast op de hier in geding zijnde auto’s. De rechtbank ziet op basis van voornoemde onderzoeken dan ook geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot dan in de aangiften is vermeld.
7. Hoewel de transitieregeling op zichzelf niet een op grond van artikel 110 van het VWEU verboden onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse personenauto’s, kan onder omstandigheden toch sprake zijn van een schending van die bepaling. Het kan immers zo zijn dat de CO2-uitstoot van een buitenlandse personenauto en een gelijksoortige binnenlandse personenauto die is geregistreerd in de periode 1 september 2018 tot
1 september 2019 vanwege de restantvoorraadregeling volgens verschillende methoden wordt, respectievelijk is, vastgesteld en dat daardoor voor de buitenlandse personenauto een hoger bedrag aan bpm wordt geheven dan is geheven voor de binnenlandse personenauto.
8. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
9. De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet heeft gesteld dat aan de hierboven genoemde twee voorwaarden is voldaan. Eiseres heeft wel voor 20 auto’s aangevoerd dat er (technisch bezien) gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die een lagere CO2-uitstoot hebben. Volgens eiseres wordt dit verschil in CO2-uitstoot enkel veroorzaakt door de WLTP/NEDC2-meetmethode. Dit standpunt van eiseres ziet op de auto’s met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 2] , [kenteken 3] , [kenteken 4] , [kenteken 5] , [kenteken 6] , [kenteken 7] , [kenteken 8] , [kenteken 9] , [kenteken 10] , [kenteken 11] , [kenteken 12] , [kenteken 13] , [kenteken 14] , [kenteken 15] , [kenteken 16] , [kenteken 17] , [kenteken 18] , [kenteken 19] en [kenteken 20] . Voor elk van deze 20 auto’s heeft eiseres meerdere referentievoertuigen aangedragen.
10. Verweerder heeft weersproken dat sprake is van gelijksoortige auto’s en ter zitting toegelicht hoe bepaalde verschillen tussen auto’s (zoals een andere spoorbreedte of andere massa rijklaar) de CO2-uitstoot kunnen beïnvloeden. Verder heeft verweerder terecht verklaard dat de 20 onderhavige auto’s een ander EU-typegoedkeuringsnummer hebben dan de door eiseres aangedragen referentievoertuigen.
11. Eiseres heeft haar stelling dat er gelijksoortige binnenlandse voertuigen zijn die op essentiële punten identiek zijn maar een lagere CO2-uitstoot hebben die enkel wordt veroorzaakt door een andere meetmethode, gelet op het voorgaande én op het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2024, niet aannemelijk gemaakt. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat er meer belasting wordt geheven op de in geschil zijnde voertuigen dan er nog op vergelijkbare binnenlandse voertuigen rust. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat slechts 10 van de 20 auto’s voor het eerst zijn toegelaten op het verkeer op de weg in de periode vanaf 1 september 2018 tot 1 september 2019. Het beroep op artikel 110 van het VWEU slaagt niet. De conclusie van A-G Ettema en A-G Koopman van 5 september 2025geeft de rechtbank geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De rechtbank heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
12. Eiseres stelt voorts dat zij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk.
De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiseres zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiseres kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.
13. Voor zover eiseres zich in meer algemene zin beroept op het rechtszekerheidsbeginsel kan dat beroep evenmin slagen. Belastingplichtigen kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven.Er bestaat geen grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.
14. Eiseres stelt subsidiair dat de CO2-uitstoot op basis van onderzoek door TNO dient te worden verminderd met 1 gram voor benzineauto’s en 7 gram voor dieselauto’s. Ook voor het onderzoek door TNO geldt dat een dergelijk algemeen onderzoek niet kan worden toegepast op de onderhavige auto’s. De rechtbank ziet dus ook in dat onderzoek geen aanleiding om uit te gaan van een lagere CO2-uitstoot.
Extra leeftijdskorting en tarief uit 2018
15. Eiseres heeft ten aanzien van 24 auto’s een beroep op extra leeftijdskorting gedaan. Dit betreffen de auto’s genoemd in onderstaande tabel. Voor 2 van deze 24 auto’s (de auto’s met de kentekens [kenteken 21] en [kenteken 22] ) heeft eiseres ook een beroep gedaan op het voordeligere tarief uit 2018, omdat de datum eerste toelating van deze auto’s is gelegen in de eerste twee maanden van 2019.
16. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar voor 16 van de 24 onderhavige auto’s al extra leeftijdskorting en/of artikel 16a van de Wet bpm heeft toegepast. Dit heeft reeds tot de onderstaande teruggaven geleid.
Kenteken
VIN (chassisnummer)
Teruggaaf verleend bij uitspraak op bezwaar
[kenteken 12]
[chassis 1]
€ 312
[kenteken 3]
[chassis 2]
€ 0
[kenteken 23]
[chassis 3]
€ 163
[kenteken 24]
[chassis 4]
€ 0
[kenteken 19]
[chassis 5]
€ 0
[kenteken 2]
[chassis 6]
€ 123
[kenteken 25]
[chassis 7]
€ 319
[kenteken 26]
[chassis 8]
€ 983
[kenteken 27]
[chassis 9]
€ 54
[kenteken 28]
[chassis 10]
€ 194
[kenteken 29]
[chassis 11]
€ 0
[kenteken 30]
[chassis 12]
€ 290
[kenteken 22]
[chassis 13]
€ 485
[kenteken 31]
[chassis 14]
€ 64
[kenteken 32]
[chassis 15]
€ 152
[kenteken 33]
[chassis 16]
€ 0
[kenteken 1]
[chassis 17]
€ 642
[kenteken 7]
[chassis 18]
€ 0
[kenteken 34]
[chassis 19]
€ 808
[kenteken 35]
[chassis 20]
€ 785
[kenteken 36]
[chassis 21]
€ 138
[kenteken 37]
[chassis 22]
€ 0
[kenteken 38]
[chassis 23]
€ 0
[kenteken 39]
[chassis 24]
€ 780
17. Verweerder heeft daarnaast voor alle 24 auto’s gesteld dat de verschuldigde bpm niet te hoog is vastgesteld dan wel dat de verschuldigde bpm eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft dit standpunt, dat hij ten aanzien van het voertuig met het kenteken [kenteken 27] eerst ter zitting heeft ingenomen, als volgt onderbouwd en heeft hierbij voor meerdere auto’s berekeningen van de verschuldigde bpm overgelegd:
- Voor 12 van de 24 auto’s stelt verweerder dan ten onrechte rekening is gehouden met 100% schadeaftrek. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 19] , [kenteken 34] , [kenteken 35] , [kenteken 39] , [kenteken 37] , [kenteken 38] , [kenteken 28] , [kenteken 25] , [kenteken 22] , [kenteken 32] , [kenteken 31] en [kenteken 26] .
- Voor 9 van de 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat de “aflevering klaarmaken ex-huurauto” ten onrechte als schade in aftrek is gebracht. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 34] , [kenteken 35] , [kenteken 39] , [kenteken 37] , [kenteken 38] , [kenteken 28] , [kenteken 32] , [kenteken 31] en [kenteken 26] .
- Voor 6 van de 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat een koerslijst is gebruikt waarbij ex-rental is aangevinkt, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een intensief gebruikte huurauto waarvoor een waardevermindering in aanmerking moet worden genomen. Hierdoor is niet de juiste koerslijst gebruikt en had aangifte moeten worden gedaan op basis van de forfaitaire tabel. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 29] , [kenteken 33] , [kenteken 7] , [kenteken 36] , [kenteken 1] en [kenteken 27] .
- Voor 2 van deze 24 auto’s stelt verweerder (aanvullend) dat het “Nederlandstalig boekenpakket” ten onrechte als schade in aftrek is gebracht. Dit betreffen de auto’s met de kentekens [kenteken 34] en [kenteken 32] .
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 27] heeft verweerder ter zitting (aanvullend) aangevoerd dat ten onrechte rekening is gehouden met 95% schadeaftrek en dat het taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de waardevermindering vanwege meerdere tegenstrijdigheden in het rapport.
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 12] stelt verweerder dat geen koerslijst is bijgevoegd bij de aangifte bpm en dat eiseres aangifte had moeten doen op basis van de forfaitaire tabel.
- Voor de auto met het kenteken [kenteken 24] stelt verweerder dat bij de aangifte de verkeerde koerslijst is gebruikt, aangezien de auto een Alpina en de koerslijst ziet op een BMW. Eiseres had aangifte moeten doen op basis van de forfaitaire tabel.
18. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting – zoals hier het geval is – aannemelijk moet maken.Het is dus aan eiseres om de door haar gestelde waardeverminderende omstandigheden, zoals de 100% schadeaftrek en de kwalificatie van bepaalde auto’s als ex-rental, aannemelijk te maken. Eiseres heeft in beroep echter niets aangevoerd of overgelegd ter onderbouwing hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres dan ook niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.
19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de verschuldigde bpm niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
20. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
21. Verweerder heeft de eerste bezwaarschriften inzake de onderhavige zaken ontvangen op 12 februari 2019. De rechtbank doet op 31 oktober 2025 uitspraak. De redelijke termijn is daardoor overschreden met, naar boven afgerond, vier jaar en negen maanden (totaal: 57 maanden). Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van € 5.000. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eiseres is verzocht gelet op het grote aantal van bijna 100 voertuigen, de vergoeding van immateriële schade te verhogen tot € 10.000. Aangezien verweerder met dagtekening 4 december 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, het beroepschrift is ontvangen op 21 december 2023 en de rechtbank op 31 oktober 2025 uitspraak doet, is de termijnoverschrijding voor
€ 4.561,40 (52/57 deel van € 5.000) toe te rekenen aan verweerder en voor € 438,60 (5/57 deel van € 5.000) aan de Staat.
22. Voor de volledigheid vermeldt de rechtbank dat de redelijke termijn reeds was overschreden op 14 juni 2024 en dat eiseres voorafgaand aan deze datum om de vergoeding van immateriële schade had verzocht, waardoor voor deze zaken het overgangsrecht zoals geformuleerd in het arrest van 14 juni 2024geldt.
Proceskosten en griffierecht
23. Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 340,13 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907, wegingsfactor 0,25 en factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken).
24. Eiseres heeft reeds voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om een vergoeding van immateriële schade en de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase was op 31 mei 2024 ook al overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank tevens aanleiding het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te laten vergoeden. Verweerder en de Staat dienen ieder de helft van het griffierecht en de proceskosten te vergoeden.
25. Alle bovengenoemde vergoedingen dienen op grond van artikel 19a, vierde lid, van de Wet bpm uitsluitend plaats te vinden op een bankrekening die op naam staat van eiseres.