ECLI:NL:RBDHA:2025:20454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
C/09/689699 / JE RK 25-1401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige], geboren in 2016. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 1 maart 2026, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. De gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, had verzocht om deze verlengingen, omdat de moeder van [de minderjarige] op dat moment niet in staat was om een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat [de minderjarige] veel heeft meegemaakt en dat hij diverse hulpverlening nodig heeft, waaronder traumatherapie. Tijdens de zitting op 22 oktober waren de moeder, de pleegouders en vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling aanwezig. De kinderrechter heeft de wensen van [de minderjarige] en de betrokkenen in overweging genomen en benadrukt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij bij de pleegouders blijft, waar hij zich goed ontwikkelt. De kinderrechter heeft ook opgemerkt dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ontbreekt, maar dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de beslissing, mits het advies voor de volgende zitting wordt ingediend. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/689699 / JE RK 25-1401
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de pleegvader] ,
en
[de pleegmoeder] ,
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders (grootouders moederszijde).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025, en het gewijzigd verzoekschrift, ontvangen op 13 augustus 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
  • de pleegouders;
  • [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[de minderjarige] is erkend door [naam 3] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegouders (grootouders moederszijde).
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 1 november 2025 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Bij de vorige verlenging van de maatregelen is besproken dat gekeken zou worden of een gezagbeëindigende maatregel passend zou zijn in de situatie van [de minderjarige] . Dit traject is niet gestart door de jeugdbeschermer, omdat deze maatregel op dit moment niet noodzakelijk wordt geacht. De moeder ondertekent stukken en doet geen dingen die een gezagbeëindigende maatregel zouden rechtvaardigen. Tegelijkertijd lukt het de moeder nog onvoldoende om haar verantwoordelijkheden op te pakken. De omgang tussen de moeder en [de minderjarige] is eind januari stil komen te liggen doordat er een onveilige situatie ontstond tijdens de begeleide omgang. De moeder en [de minderjarige] hebben op 1 oktober voor het eerst weer een omgangsmoment gehad, wat gelukkig positief is verlopen. De moeder en [de minderjarige] zullen in het vervolg één keer per maand twee uur omgang hebben bij een kinderboerderij, onder begeleiding van Groeii. De gecertificeerde instelling staat er voor open om te kijken hoe [de minderjarige] reageert op deze momenten, om op basis hiervan te onderzoeken wat mogelijk is in het kader van een uitbreiding van de omgang. [de minderjarige] heeft ook regelmatig omgang met de vader, wat wordt georganiseerd door de pleegouders en wat positief verloopt. Het diagnostisch traject Slapende Honden bij Jeugdformaat is in de afrondende fase en hieruit zal naar alle waarschijnlijkheid het advies komen dat traumatherapie voor [de minderjarige] noodzakelijk is. Dit zal in de komende periode worden ingezet. Er zijn risico's dat de plaatsing van [de minderjarige] onder druk komt te staan wanneer er geen gedwongen kader meer is. De moeder doet vaker uitspraken waaruit blijkt dat ze nog steeds denkt dat [de minderjarige] op korte termijn weer bij haar zal komen wonen. Dit is niet realistisch gezien de problematiek van de moeder. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegouders, krijgt er de stabiliteit die hij nodig heeft en gaat weer naar school. Het is in zijn belang dat hij hier kan blijven. Het gevaar bestaat dat de pleegouders geen weerstand kunnen bieden aan de moeder wanneer het gezin wordt overgedragen aan het vrijwillige kader. Een verlenging van de maatregelen is daarom noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De pleegouders hebben ter zitting naar voren gebracht het verzoek tot verlenging van de maatregelen te begrijpen. Het gaat goed met [de minderjarige] bij hen. Hij gaat weer naar school en ziet zijn vader om de week, wat hij erg leuk vindt. Wel zijn de pleegouders van mening dat de voorgenomen omgangsregeling voor de moeder en [de minderjarige] , namelijk twee uur per maand, te weinig is. [de minderjarige] mist zijn moeder en de pleegouders merken dat de hechting tussen hen minder wordt. Dit is niet in het belang van zowel [de minderjarige] als van de moeder. Er moet samen met Groeii gekeken worden naar de mogelijkheden van een uitbreiding van de omgang. Ook zou het fijn zijn als de omgang een keer bij de moeder thuis kan plaatsvinden.
4.2.
De moeder heeft ter zitting aangegeven [de minderjarige] erg te missen en veel verdriet van de situatie te hebben. De moeder kan ook niet naar haar ouders toe wanneer [de minderjarige] daar is, wat erg zwaar is voor haar. De moeder zou [de minderjarige] graag meer zien en zou het liefst hebben dat hij in de weekenden bij haar kan komen slapen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] heeft veel meegemaakt in zijn nog korte leven en zijn moeder is op dit moment niet in staat hem de stabiele thuisbasis geven die hij nodig heeft. [de minderjarige] heeft diverse hulpverlening nodig voor onder meer problematiek op het vlak van trauma- en hechting. Het diagnostisch traject Slapende Honden bij Jeugdformaat is in de afrondende fase en wanneer uit dit traject komt dat traumatherapie voor [de minderjarige] noodzakelijk wordt geacht, is het noodzakelijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft zodat zij deze behandeling voor [de minderjarige] kan inzetten. Hiernaast is het noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken die zich gaat inzetten om op korte termijn uit te zoeken, in samenspraak met Groeii, de pleegouders, de moeder en [de minderjarige] , wat mogelijk is in de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] . Alle betrokkenen, waaronder [de minderjarige] zelf, hebben de sterke wens dat [de minderjarige] en de moeder elkaar meer kunnen zien. De kinderrechter acht het in het belang van [de minderjarige] dat hier zorgvuldig, maar ook zeker voortvarend in wordt gehandeld.
5.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn opvoeding en verzorging (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De moeder is door haar eigen problematiek niet bij machte om [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden. De pleegouders bieden [de minderjarige] een stabiele opvoedomgeving zodat hij zich goed kan ontwikkelen. Het is onwenselijk dat er door het overdragen van het gezin aan het vrijwillige kader een risico zou ontstaan dat deze stabiliteit zou worden verstoord.
5.4.
Nu de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] meer dan twee jaar heeft geduurd, had het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de gecertificeerde instelling vergezeld moeten gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) bij een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing langer durend dan twee jaar (advies als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het BW). De kinderrechter stelt vast dat dit advies van de Raad nu opnieuw ontbreekt. De kinderrechter gaat echter aan het ontbreken van dit advies voorbij. De kinderrechter overweegt daartoe allereerst dat de wet geen consequenties aan het ontbreken van bedoeld advies verbindt. Verder overweegt de kinderrechter dat het gelet op alle voorhanden informatie niet in de lijn der verwachting ligt dat de Raad tot nieuwe of afwijkende inzichten zal komen ten aanzien van de noodzaak van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De kinderrechter is verder van oordeel dat het ontbreken van bedoeld advies de moeder niet onredelijk in haar belangen schaadt. De kinderrechter acht het echter noodzakelijk dat dit advies tijdens de volgende zitting wel aanwezig is. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling daarom voorgaand advies van de Raad uiterlijk twéé weken voor de zitting aan de rechtbank en de belanghebbenden toe te sturen.
5.5.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn gelet op het voorgaande nog steeds nodig. De kinderrechter ziet aanleiding om de maatregelen te verlengen voor de duur van vier maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, zodat vinger aan de pols kan worden gehouden en na deze periode kan worden besproken wat is ingezet om de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] mogelijk te maken en of dit is gelukt.
5.6.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twéé weken voor de volgende zitting een schriftelijke update te sturen over hetgeen onder 5.2. tot en met 5.5. is overwogen.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 1 maart 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 maart 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 1 maart 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de moeder, de pleegouders, en [de minderjarige] voor een kindgesprek, dienen te worden opgeroepen;
6.4.
verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk twéé wekenvoor de zitting het raadsadvies als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, BW in te dienen bij de rechtbank onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling om
uiterlijk twéé wekenvoor de zitting een schriftelijke update bij de rechtbank in te dienen zoals hiervoor onder 5.2. tot en met 5.5. overwogen, onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 3 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.