ECLI:NL:RBDHA:2025:20455

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
C/09/690114 / JE RK 25-1447
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarigen in het kader van jeugd- en zorgrecht

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 22 oktober 2025 een beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, omdat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, met name over [minderjarige 1]. Deze heeft te maken met forse gedragsproblemen en een verhoogde opvoedvraag. De ouders, de moeder en de vader, zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er zijn zorgen over hun vermogen om de kinderen de benodigde structuur en begeleiding te bieden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders in het vrijwillige kader niet in staat zijn gebleken om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. De kinderrechter heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is openbaar uitgesproken en de ouders zijn geïnformeerd over hun recht om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/690114 / JE RK 25-1447
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbeschermingte Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 augustus 2025;
  • het rapport van de Raad van 13 augustus 2025;
- het bericht van de Raad met bijlagen van 26 augustus 2025;
- de reactie van de vader op het conceptrapport van de Raad, verstuurd door de Raad en ontvangen door de rechtbank op 1 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] , namens de Raad;
  • [naam 2] en [naam 3] , namens de gecertificeerde instelling,
  • de grootvader vaderszijde, [naam 4] , als toehoorder.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] uitgenodigd voor een kindgesprek om zijn mening te geven over het verzoek. [minderjarige 1] heeft hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen de helft van de week bij de vader en de helft van de week bij de moeder. [minderjarige 1] verblijft sinds eind juni 2025 bij vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van alle drie de kinderen, maar met name over die van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft door kind-eigen problematiek een bovengemiddelde opvoedvraag. Er is bij hem sprake van forse gedragsproblemen. Hij laat agressief gedrag naar de moeder zien, maar de afgelopen jaren en de afgelopen tijd toenemend ook naar volwassenen en leeftijdsgenoten. Hij kan daarmee ernstige bedreigingen uiten en fysieke en verbale agressie tonen. Hij is hierdoor op 10-jarige leeftijd al in beeld bij de politie en heeft een winkelverbod. [minderjarige 1] heeft hiernaast moeite met omgaan met zijn emoties wat omslaat in boosheid, grensoverschrijdend gedrag en frustraties. [minderjarige 1] ervaart veel afwijzing doordat hij probleemsituaties niet goed kan oplossen en dan boos wordt. Door de fysieke en verbale agressie die [minderjarige 1] laat zien tijdens zijn boosheid, heeft [minderjarige 1] sinds zijn vierde jaar geen onderwijs gehad en is het thuiszitters traject vanuit het [instantie 1] in juni 2025 per direct is beëindigd. Het is fijn dat [minderjarige 1] een nieuwe dagbestedingsplek heeft bij [instantie 2] . Desondanks is tot op heden de noodzakelijke hulp voor [minderjarige 1] niet ingezet. Het is daarom nog niet duidelijk wat [minderjarige 1] nodig heeft om naar een passende onderwijsplek te kunnen doorstromen. Het is de moeder tot nu toe onvoldoende gelukt om voldoende structuur en begrenzing te geven in de opvoeding van de kinderen en om aan te sluiten op de verhoogde opvoedvraag van [minderjarige 1] . Zij raakte hierdoor overbelast, waardoor [minderjarige 1] niet meer bij haar kon wonen en bij de vader is gaan wonen. De moeder uit zich hierbij afwijzend naar [minderjarige 1] , wat zorgt voor onduidelijkheid en onzekerheid bij hem. De moeder heeft met behulp van ondersteuning door het [instantie 1] en [instantie 2] wel geprobeerd om de regie in de opvoeding terug te pakken en om nieuwe opvoedvaardigheden te leren, wat erg positief is. Bij de vader zijn zorgen dat hij onvoldoende probleembesef heeft, waardoor hij [minderjarige 1] ook te weinig begrensd en de ernst van de situatie onvoldoende inziet. Ook lijkt de vader te weinig transparant te zijn over hoe het er bij hem in de thuissituatie aan toe gaat met [minderjarige 1] . Er is verder spraken van een verstoorde relatie tussen de ouders, waardoor zij onvoldoende kunnen communiceren in het belang van de kinderen en te veel bezig zijn met de opvoedsituatie bij de andere ouder. Hulpverlening in dit kader is onvoldoende van de grond gekomen. De Raad is bezorgd dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onderdeel zijn van de dynamiek thuis, tussen [minderjarige 1] en de ouders en tussen de ouders onderling. De Raad heeft zorgen dat de spanning in het systeem [minderjarige 2] en [minderjarige 3] belast, en dat het schadelijk is voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om zorg te dragen voor eenduidigheid, transparante communicatie, afstemming en om te zorgen dat de hulpverlening voortgezet wordt. De Raad denkt hierbij aan een samenwerking tussen ouders, leerplicht, [instantie 3] en de intensieve systeem ondersteuning waarbij er ook zicht komt op [minderjarige 1] zijn leefwereld bij vader. Gezien de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de complexe problematiek en de complexe relaties tussen ouders onderling acht de Raad hulpverlening in een vrijwillig kader niet toereikend en vindt zij een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar voor alle drie de kinderen noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het een forse tijd geleden is sinds het Raadsrapport is opgesteld, waarin tevens werd gesteld dat de ontwikkelingen in de drie maanden die volgden moesten uitwijzen of een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Er zijn in de afgelopen maanden positieve stappen gezet door [minderjarige 1] en er hebben geen incidenten meer plaatsgevonden. De vader kan [minderjarige 1] voldoende begrenzen en was verbaasd dat werd gesteld door de Raad dat er sprake was van onveiligheid bij hem. De vader wil er alles aan doen om [minderjarige 1] te helpen en om te zorgen dat hij thuis kan blijven wonen. [minderjarige 1] heeft door zijn eigen problematiek een verhoogde opvoedvraag en het is belangrijk dat hij hiervoor de juiste hulpverlening krijgt. De vader vindt het prima als er een jeugdbeschermer betrokken raakt bij [minderjarige 1] . De vader ziet de noodzaak hiervan niet in voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
4.2.
De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat er in de afgelopen periode geen extreme incidenten hebben plaatsgevonden bij [minderjarige 1] , maar dat hij nog steeds moeite heeft met regels en begrenzing. Er is geen sprake van zorgelijke signalen bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder heeft de hulpverlening van Ambulante Spoedhulp die nu betrokken is zelf aangevraagd en is erg blij mee. De moeder ziet in dat er dingen moeten veranderen en zij wil hier graag hulp bij ontvangen. De moeder vindt het verder belangrijk dat zij en de vader op één lijn komen met betrekking tot de opvoeding van de kinderen. Het is goed als hierin een jeugdbeschermer kan meekijken. De moeder wil wel graag dat wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, de huidige hulpverlening ook wordt voortgezet.
4.3.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is voor alle drie de kinderen. Hoewel vooral [minderjarige 1] bedreigd wordt in zijn ontwikkeling door zijn kind-eigen problematiek, is er ook sprake van systemische problematiek, waar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook door worden belast. Het is van belang dat de jeugdbeschermer hen kan meenemen in de noodzakelijke hulpverlening voor het systeem, maar ook dat wanneer dit nodig mocht zijn hij de voor hen noodzakelijke hulpverlening in kan zetten. Wanneer de kinderen onder toezicht worden gesteld, is direct een vaste jeugdbeschermer voor hen beschikbaar.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij alle kinderen. De zorgen zijn met name gelegen in de forse kind-eigen problematiek van [minderjarige 1] , die zich onder andere uit in veel boosheid en zelfbepalend gedrag, waarbij hij ook verbale en fysieke agressie laat zien. Hoewel het positief is dat beide ouders hebben aangegeven dat er geen ernstige incidenten meer hebben plaatsgevonden bij [minderjarige 1] in de afgelopen periode, is wel duidelijk dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] erg lijdt onder de situatie. Zo gaat hij al een lange tijd niet meer naar school, is het thuiszitters traject vanuit het [instantie 1] gestopt en is hij op 10-jarige leeftijd al bekend bij de politie. Het is de ouders onvoldoende gelukt in het vrijwillige kader om [minderjarige 1] de begrenzing, ondersteuning en begeleiding te bieden die hij nodig heeft voor zijn verhoogde opvoedvraag. De moeder wordt overvraagd in de zorg voor [minderjarige 1] en de vader lijkt de ernst van de situatie onvoldoende in te zien. Ook speelt mee dat er sprake is van een verstoorde dynamiek tussen de ouders, waarbij zij niet op één lijn zitten met betrekking tot de opvoeding van alle drie de kinderen en onvoldoende kunnen communiceren in hun belang. Hulpverlening in dit kader is tot nu toe onvoldoende van de grond gekomen. Hoewel de kinderrechter ziet dat de ouders veel van de kinderen houden, het beste met ze voor hebben, en ook al actief profiteren van hulpverlening voor ondersteuning in de opvoeding en voor [minderjarige 1] zelf, is het hen niet gelukt om de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen. Ook [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden belast door de situatie, nu er naast de problematiek van [minderjarige 1] ook sprake is van systemische problematiek. Hoewel het positief is dat zij op dit moment nog geen ernstige kindsignalen laten zien door de situatie, moet voorkomen worden dat zij hier in een later stadium alsnog last van krijgen en dat er onvoldoende oog is voor hun ontwikkeling. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer voor alle drie de kinderen noodzakelijk is. De jeugdbeschermer kan de ouders ondersteunen en helpen om op één lijn te komen, meekijken in de opvoedomgeving van beide ouders, zorgen dat de hulpverlening die op dit moment is ingezet, doorgang vindt en zorgen dat de nog noodzakelijke hulpverlening wordt ingezet.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 22 oktober 2025 tot 22 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 3 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.
2.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.