In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 22 oktober 2025 een beschikking gegeven over de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, omdat er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, met name over [minderjarige 1]. Deze heeft te maken met forse gedragsproblemen en een verhoogde opvoedvraag. De ouders, de moeder en de vader, zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er zijn zorgen over hun vermogen om de kinderen de benodigde structuur en begeleiding te bieden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders in het vrijwillige kader niet in staat zijn gebleken om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. De kinderrechter heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beschikking is openbaar uitgesproken en de ouders zijn geïnformeerd over hun recht om in hoger beroep te gaan.