ECLI:NL:RBDHA:2025:20456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
C/09/692663 / JE RK 25-1718 en C/09/669628 / JE RK 24-1314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met verzoek tot wijziging zorgregeling

Op 22 oktober 2025 heeft de kinderrechter in de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in twee zaken betreffende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd tot 27 januari 2026. De kinderrechter oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds zijn voldaan en dat de verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De kinderrechter heeft ook de verzoeken van de gecertificeerde instelling om de zorgregeling te wijzigen en uit te breiden, aanhouden voor een nader te bepalen zitting. De moeder van [minderjarige] heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de gecertificeerde instelling en verzocht om een zorgregeling waarbij [minderjarige] om het weekend bij haar is. De kinderrechter heeft vastgesteld dat er positieve stappen zijn gezet door de moeder, maar dat er nog geen zwaarwegende bezwaren zijn tegen een gefaseerde uitbreiding van de zorgregeling. De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling verzocht om uiterlijk één week voor de volgende zitting een schriftelijke update te sturen over de voortgang van de zorgregeling en de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling. De beslissing is openbaar uitgesproken en is in het gezagsregister aangetekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers
Zaak I: C/09/692663 / JE RK 25-1718
Zaak II: C/09/669628 / JE RK 24-1314
Datum uitspraak: 22 oktober 2025
I.
Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
II.
Verzoek tot wijziging zorgregeling ex 1:265g BW
in de zaken van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. L. Witteveen uit Rotterdam,
[pleegvader],
hierna te noemen: de pleegvader
En
[pleegmoeder], hierna te noemen: de pleegmoeder,
hierna ook gezamelijk te noemen: de pleegouders,
gezamenlijk wonend te [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 mei 2025 in zaak II bepaald dat:
-met wijziging in zoverre van de beschikking van 16 oktober 2024- als voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden dat [minderjarige] één keer in de twee weken bij de moeder zal zijn van zaterdag 11.00 uur tot en met zondag 15.00 uur, waarbij de gecertificeerde instelling de regie voert over de uitvoering en eventuele uitbreiding van deze zorgregeling.
Het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting gelegen vóór 27 oktober 2025.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling in de beoordeling van zaak I en zaak II:
  • de beschikking van 14 mei 2025 met betrekking tot zaak II en de hierin benoemde stukken;
  • het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling met betrekking tot zaak I, met bijlagen, ontvangen door de rechtbank op 7 oktober 2025;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ex 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot zaak I, gedateerd op 16 oktober, verstuurd door de gecertificeerde instelling, ontvangen door de rechtbank op 17 oktober 2025;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met betrekking tot zaak II, ontvangen door de rechtbank op 20 oktober 2025.
1.3.
Op 22 oktober 2025 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met mr. A Schiettekatte te Rotterdam, waarnemend voor mr. A. L. Witteveen;
- [naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling.
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 oktober 2025 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.De verzoeken

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt in zaak I de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling verzoekt in zaak II de zorgregeling, zoals deze is vastgesteld door de kinderrechter bij beschikking van 14 mei 2025, in stand te houden. Uit de update van 20 oktober 2025 volgt dat de gecertificeerde instelling van mening is dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder nog niet verder uitgebreid kan worden. De gecertificeerde instelling wenst hierbij de regie te behouden over de uitvoering en over eventuele uitbreiding van deze zorgregeling.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft de verzoeken, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. [minderjarige] verblijft sinds september 2020 in een perspectiefbiedend pleeggezin en zij zal hier ook opgroeien. De moeder is door haar eigen problematiek niet in staat de volledige zorg voor [minderjarige] te dragen. [minderjarige] is op dit moment één keer in de twee weken bij de moeder van zaterdag 11.00 uur tot en met zondag 15.00 uur. Er wordt gezien dat de moeder positieve stappen heeft gezet in haar omgang met [minderjarige] . De moeder kan luisteren naar praktische adviezen omtrent de indeling van het weekend. Ook lukt het de moeder goed om leuke activiteiten met [minderjarige] te doen en hierin een passende balans te vinden. Hiernaast is een stijgende lijn gezien in het contact tussen de moeder en de begeleiding van Pleegzorg. De gecertificeerde instelling is echter van mening dat de zorgregeling met de moeder op dit moment, ondanks de sterke wens van de moeder, nog niet kan worden uitgebreid. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij eigenlijk niet wil slapen bij de moeder en zij lijkt moeite te hebben met de overgang van het pleeggezin naar de moeder en andersom. Het is belangrijk dat de stem van [minderjarige] hierin gehoord wordt. De school van [minderjarige] geeft hierbij ook aan dat [minderjarige] vermoeid is na een weekend bij de moeder. Ook blijven er zorgen over de wederkerigheid in het contact, het kunnen aansluiten bij [minderjarige] en het beschikbaar zijn van de moeder voor [minderjarige] . Wel vindt de gecertificeerde instelling het knap van de moeder dat zij inziet dat, als er een uitbreiding van de zorgregeling zou plaatsvinden, een tussenstap voor [minderjarige] nodig is. De gecertificeerde instelling vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk om voor [minderjarige] stabiliteit, overzicht en zekerheid te behouden. Daarnaast is het belangrijk om het komende jaar de tijd te nemen om de omgang te blijven monitoren, en om te werken aan het levensboek, aangezien het de moeder tot op heden nog niet is gelukt hier medewerking aan te verlenen en dit wel in het belang van [minderjarige] is. Komende periode zal er verder gewerkt moeten worden aan het vaststellen van een concreet borgingsplan. De begeleiding van Pleegzorg zal na het afronden van de maatregelen betrokken blijven. Op dit moment is het echter nog noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling betrokken blijft en de regie blijft houden in het organiseren en faciliteren van grote overleggen tussen alle betrokkenen en in het geven van ondersteuning.

4.De standpunten

4.1.
Er is door en namens de moeder verweer gevoerd tegen de verzoeken. De moeder verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de moeder is van vrijdag uit school tot zondag 15:00 uur. De verzoeken van de gecertificeerde instelling zijn gebaseerd op verouderde informatie en worden onvoldoende gemotiveerd. Er is ook geen sprake van een gebrek aan wederkerigheid in het contact of het niet kunnen aansluiten bij [minderjarige] door de moeder. [minderjarige] heeft juist bij de moeder aangegeven dat zij langere tijd bij de moeder zou willen slapen en hoewel [minderjarige] inderdaad eerst moeite had met de overgang van de pleegouders naar de moeder, ziet de moeder dat zij hier nu geen last meer van lijkt te hebben. De moeder denkt wel dat het wenselijk is dat er eerst een tussenstap voor [minderjarige] wordt ingebouwd, zodat zij kan wennen aan de uitbreiding. De moeder zou bij deze tussenstap bijvoorbeeld de eerste vier keer mee kunnen gaan met de pleegmoeder om [minderjarige] van school te halen, waarna zij mee gaat naar het huis van de pleegouders en zij hier kan blijven met [minderjarige] tot het eten, om [minderjarige] vervolgens mee te nemen naar huis.
De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling is verder niet langer noodzakelijk. Het is al langere tijd de bedoeling dat de begeleiding van Pleegzorg op de voorgrond treedt en de moeder heeft goed contact met zowel de pleegouders als de begeleider van Pleegzorg. Het is bevestigd dat Pleegzorg betrokken zal blijven in het vrijwillige kader. Ook is er al in meerdere beschikkingen aangestuurd om het toewerken naar een afsluiting van de maatregelen. De moeder verzoekt daarom primair om afwijzing van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Subsidiair verzoekt de moeder de maatregelen te verlengen voor een korte duur, zodat de betrokkenen in die periode een borgingsplan kunnen opstellen voor een warme overdracht naar het vrijwillige kader en zodat kan worden gewerkt aan de door de moeder en [minderjarige] gewenste uitbreiding van de omgang.

5.De beoordeling van zaak I en zaak II

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling op dit moment nog is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.2.
De kinderrechter ziet echter aanleiding om de maatregelen voor een korte duur, zoals de moeder subsidiair heeft verzocht, toe te wijzen. De kinderrechter overweegt daartoe dat al in eerdere beschikkingen en ook in de beschikking van 14 mei 2025 is aangestuurd op een afsluiting van het gedwongen kader. Dit is tot op heden nog niet gelukt. Uit de verzoeken van de gecertificeerde instelling blijkt onvoldoende waarom niet (op korte termijn) kan worden overgedragen aan het vrijwillige kader. De moeder staat achter de plaatsing van [minderjarige] en zij heeft positieve stappen gezet in haar contact met de pleegouders en de begeleiding van Pleegzorg, die tevens in het vrijwillige kader betrokken zal blijven. De kinderrechter constateert hiernaast dat in de afgelopen periode onvoldoende lijkt te zijn onderzocht of en hoe uitbreiding van de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] kan worden gerealiseerd. Het lijkt erop of in de update van de gecertificeerde instelling wordt teruggegrepen naar oudere informatie. Op basis van hetgeen ter zitting is besproken, ziet de kinderrechter op dit moment geen zwaarwegende bezwaren tegen -gefaseerde- uitbreiding van de zorgregeling tussen [minderjarige] de moeder, zoals door de moeder is verzocht. De moeder heeft, door haar plan om een tussenstap in te bouwen voor [minderjarige] zodat zij aan de uitbreiding kan wennen, laten zien dat zij [minderjarige] haar belang centraal kan stellen en wil aansluiten op haar behoeften. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er duidelijkheid is over de zorgregeling voordat wordt overgedragen naar het vrijwillig kader. Om die reden vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat alle betrokkenen, waaronder de moeder, de pleegouders, de gecertificeerde instelling en de begeleiding van pleegzorg, in de komende periode samenkomen om te bespreken hoe de door de moeder verzochte uitbreiding van de zorgregeling precies gerealiseerd kan worden. Indien dit niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht, dan verwacht de kinderrechter dat dit duidelijk en met actuele informatie wordt onderbouwd. De kinderrechter spreekt de wens uit dat alle betrokkenen erin slagen overeenstemming over de (eventuele opbouw van) de zorgregeling te bereiken. Mocht dit niet lukken, dan zal de kinderrechter een beslissing over de zorgregeling nemen.
Hiernaast moet een borgingsplan worden opgesteld, zodat het gezin op korte termijn met warme hand kan worden overgedragen aan het vrijwillige kader. Hierbij moet ook aandacht zijn voor de samenwerkingsrelatie tussen ouders en pleegouders, zodat zij helder hebben wat zij over en weer van elkaar kunnen en mogen verwachten bij afsluiting van het gedwongen kader.
5.3.
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn gelet op het voorgaande op dit moment nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom voor de duur van drie maanden, met aanhouding van het overige deel van het verzoek, zodat de voortgang op korte termijn kan worden besproken.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
De kinderrechter ziet hiernaast aanleiding om het verzoek van de gecertificeerde instelling tot vaststelling van de zorgregeling geheel aan te houden in afwachting van het opstellen van het plan voor uitbreiding van de zorgregeling met de ingebouwde tussenstap, zoals door de moeder is verzocht. De kinderrechter houdt het verzoek daarom aan voor de duur van drie maanden.
5.6.
De gecertificeerde instelling dient de kinderrechter uiterlijk één week voor de volgende zitting een schriftelijke update te sturen over hetgeen onder 5.2. en 5.5. is overwogen. Als overeenstemming is bereikt over een definitieve zorgregeling en de gecertificeerde instelling het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet handhaaft, dan kan dit -in beginsel zonder verdere zitting- in een (eind)beschikking worden vastgelegd. Als het niet lukt om door alle betrokkenen gedragen afspraken te maken en/of een verlenging van de maatregelen door de gecertificeerde instelling nog noodzakelijk worden geacht, zal de zaak opnieuw -voor afloop van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing- op een zitting van de kinderrechter worden gepland.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van zaken I en II
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 27 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek in zaak I voor het overige en het verzoek in zaak II in zijn geheel aan tot een nader te bepalen zitting van
mr. O.F. Bouwman, gelegen voor 27 januari 2026, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de moeder en haar advocaat, en de pleegouders dienen te worden opgeroepen;
6.5.
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week vóór de zittingsdatum een schriftelijke update te sturen aan de kinderrechter en de belanghebbenden over hetgeen is overwogen in 5.2. en 5.5.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 3 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.