Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die op 23 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indiende. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 26 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, onder verwijzing naar een voornemen van 27 augustus 2025. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 31 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Eiser heeft verklaard dat hij in Egypte problemen heeft met zijn oom en diens zoon, die hem onder andere hebben beschoten en valselijk beschuldigd van moord. De minister heeft de identiteit van eiser ongeloofwaardig geacht, omdat hij geen documenten heeft overgelegd en niet voldoet aan de voorwaarden van de Vreemdelingenwet. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de verklaringen van eiser onsamenhangend en tegenstrijdig zijn. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om zijn asielmotieven te onderbouwen, en de rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat eiser geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.