ECLI:NL:RBDHA:2025:20488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
NL25.28910
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling wegens niet tijdig beslissen op bezwaar EU-verblijfsrecht

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het beëindigen van haar EU-verblijfsrecht met een ongewenstverklaring. De minister besloot niet tijdig op dit bezwaar, waarop verzoekster beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. Nadat de minister alsnog op het bezwaar had beslist en het bezwaar ongegrond verklaarde, trok verzoekster het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de minister door het late besluit aan het beroep tegemoet was gekomen en daarom de proceskosten moest vergoeden. De kosten werden vastgesteld op €453,50, gebaseerd op een puntensysteem en een wegingsfactor ‘licht’ vanwege de aard van het beroep. Daarnaast wees de rechtbank erop dat de minister ook het betaalde griffierecht van €194 moest vergoeden.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 4 november 2025 door rechter M.L. Weerkamp. Verzoekster kan zich tot de minister wenden voor vergoeding van het griffierecht. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28910

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de Minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder.

Procesverloop

In de uitspraak van 15 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:560, heeft deze rechtbank en zittingsplaats verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van verzoekster te beslissen.
Verzoekster heeft op 30 juni 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op haar bezwaar tegen het beëindigen van haar EU-verblijfsrecht met een ongewenstverklaring.
In het besluit van 25 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. [3] Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op het bezwaar van verzoekster heeft besloten, en dit hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog heeft gedaan, is verweerder aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt daarom als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
4. De rechtbank wijst er verder nog op dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194 te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank:
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 4 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Besluit proceskosten bestuursrecht.