ECLI:NL:RBDHA:2025:20506
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wijziging verblijfsdoel en intrekking verblijfsvergunning na beëindiging huwelijk
Eiseres had een verblijfsvergunning als gezinslid bij haar ex-partner, die na beëindiging van het huwelijk is ingetrokken met terugwerkende kracht. Zij verzocht om wijziging van het verblijfsdoel naar 'Niet-tijdelijke humanitaire gronden' wegens huiselijk geweld, maar dit werd afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat eiseres ten tijde van het primaire besluit weliswaar rechten kon ontlenen aan artikel 6 van Pro Besluit nr. 1/80, maar dat deze rechten bij de beslissing op bezwaar waren vervallen omdat zij haar werkzaamheden had gestaakt en een nieuwe arbeidsovereenkomst was aangegaan binnen de driejaarstermijn, waardoor haar rechten vervielen.
Verder betoogde eiseres dat zij recht had op een verblijfsvergunning op grond van het zoekjaar op basis van het arrest Toprak en Oguzvalt van het Hof van Justitie. De rechtbank stelt dat de minister het meest gunstige beleid toepast, maar dat een aanvraag voor het zoekjaar vereist is en dat eiseres deze niet heeft ingediend. Hierdoor had zij na intrekking geen legaal verblijf meer.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de intrekking en afwijzing blijven in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de aanvraag blijven in stand.