AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadeverzoek lp-aanvraag
De zaak betreft een beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde dat er sprake is van risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting, onderbouwd met diverse zware en lichte gronden.
De eiser betwistte slechts één zware grond, namelijk dat hij geen gevolg zou geven aan zijn terugkeerplicht, maar de rechtbank achtte de overige gronden voldoende om de bewaring te dragen. Daarnaast stelde eiser dat de minister onrechtmatig handelde door op 12 mei 2025 een laissez-passer (lp) aanvraag te versturen terwijl er nog geen uitspraak was gedaan op een voorlopige voorziening, en verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 AwbPro.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van de lp-aanvraag in het dossier geen vormfout oplevert en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld met rappels en vertrekgesprekken. Er is geen aanwijzing dat zicht op uitzetting ontbreekt. De handelswijze van de minister maakte de bewaring niet onrechtmatig. Ook is het verzoek om schadevergoeding niet ontvankelijk omdat de lp-aanvraag een handeling betreft in de uitvoering van een terugkeerbesluit.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35367
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 op 31 juli 2025 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft ter zitting op 11 augustus 2025 een aanvang gemaakt met de behandeling van het beroep. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Gharbaoui. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser, namens eiser, de rechter gewraakt. De wrakingskamer van deze rechtbank heeft het verzoek tot wraking afgewezen bij beslissing van 22 augustus 2025 [1] .
De behandeling van de zaak is hervat op de zitting van 26 augustus 2025. Voor eiser is zijn gemachtigde naar de zitting gekomen. De rechtbank heeft op 26 augustus 2025 na afloop van de zitting de afstandsverklaring van eiser aan het digitale dossier toegevoegd . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2006.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware grondenvermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte grondenvermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat ten onrechte de zware grond onder 3i aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij tijdens een lopende aanvraag gaat verklaren dat hij mee wil werken en gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.
4. De rechtbank stelt vast dat de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden door eiser niet zijn betwist. Ambtshalve toetsend [2] is de rechtbank van oordeel dat de overige zware gronden en lichte gronden de maatregel van bewaring reeds kunnen dragen. Deze gronden, en de daarbij gegeven motivering, wijzen op een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. De beroepsgrond van eiser gericht tegen de zware grond onder 3i kan daarom onbesproken blijven.
5. Eiser voert voorts aan dat de minister niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan het digitale dossier heeft toegevoegd, zo ontbreekt de laissez-passer (lp) aanvraag van eiser van 12 mei 2025. Er is daardoor volgens eiser sprake van een incompleet dossier. De rechtbank begrijpt dat eiser zich op het standpunt stelt dat de lp-aanvraag van belang is om te bepalen of de minister voldoende voortvarend te werk is gegaan met eisers uitzetting en of zicht op uitzetting bestaat. Eiser voert hierbij aan dat de minister onrechtmatig heeft gehandeld. Er is door de minister namelijk al op 12 mei 2025 een lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verzonden, terwijl er pas op 13 mei 2025 uitspraak [3] is gedaan in het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening waarbij tevens uitspraak is gedaan op het beroep gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser verzoekt daarom om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister is namelijk bekend met het gegeven dat hij nog geen contact mag leggen met de autoriteiten van het land van herkomst zolang er nog geen uitspraak is gedaan op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
6. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de melding in het dossier en de toelichting ter zitting van de minister dat op 12 mei 2025 de lp-aanvraag aan de Algerijnse autoriteiten is verzonden, en dat hierna op 4 juli 2025 en 24 juli 2025 een rappel is gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten. De omstandigheid dat de lp-aanvraag, zoals overigens gebruikelijk, niet in het dossier is opgenomen, maakt niet dat sprake is van een vormfout waardoor de rechtbank het beroep niet (goed) kan beoordelen.
7. Naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank heeft de minister - gelet op de rappels en de vertrekgesprekken - vanaf het opleggen van de maatregel van bewaring op 4 juli 2025 voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting en bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt. Dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag - zoals blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 augustus 2025 - maakt niet dat zicht op uitzetting ontbreekt.
8. Eiser heeft niet gespecificeerd hoe de bewaring zelf onrechtmatig is geworden door de handelswijze (het reeds aanvragen van een lp op 12 mei 2025 terwijl er nog geen uitspraak van de voorzieningenrechter was) van de minister. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat het zou gaan om de vraag of de minister eiser in gevaar heeft gebracht voor de Algerijnse autoriteiten, ziet deze op de vraag of sprake is van schending van het beginsel van refoulement. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft op 13 mei 2025 [4] geoordeeld dat eisers aanvraag terecht is afgewezen en dat zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen. Eiser is hierna op 30 juni 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld omdat hij een opvolgende asielaanvraag ingediend die hij vervolgens op 3 juli 2025 heeft ingetrokken, waarna hij op 4 juli 2025 grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de handelswijze van de minister op 12 mei 2025 de maatregel van bewaring met ingang van 4 juli 2025 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 niet onrechtmatig.
9. Uit artikel 8:88, eerste lid, van de Awb volgt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen in vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
een onrechtmatig besluit;
een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
het niet tijdig nemen van een besluit;
een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
10. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen schadeoorzaak heeft aangewezen die valt binnen het bereik van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. De handeling van het versturen van de lp-aanvraag is een handeling in het kader van de uitvoering van een terugkeerbesluit. Reeds daarom acht de rechtbank zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
11. Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden niet leiden tot de conclusie dat (het voortduren van) de bewaring onrechtmatig is te achten. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden [5] , ziet de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat (het voortduren van) de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geworden.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.O.Y. Elagab, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 september 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.