ECLI:NL:RBDHA:2025:20519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/09/688262 / JE RK 25-1205
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking van de kinderrechter over de omgangsregeling van minderjarigen in een jeugdzorgzaak

Op 9 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een jeugdzorgzaak betreffende de omgangsregeling van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]. De zaak betreft een verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te vervallen en een omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter had eerder, op 11 september 2025, het verzoek aangehouden en de gecertificeerde instelling opgedragen om samen met alle belanghebbenden te onderzoeken welke regeling het meest passend zou zijn voor de kinderen. Tijdens de zitting op 9 oktober 2025 bleek dat er geen uitvoering was gegeven aan deze opdracht en dat er geen update was ontvangen van de gecertificeerde instelling.

De kinderrechter heeft de wensen van de belanghebbenden besproken, waaronder de moeder, de vader, de pleegouders en de gecertificeerde instelling. De moeder handhaafde haar verzoek voor een omgangsregeling waarbij de kinderen vaker en langer bij haar kunnen zijn. De vader steunde dit verzoek en wenste ook een regeling waarbij beide kinderen samen bij hem verblijven. De pleegouders gaven aan dat de huidige regeling voor veel onrust zorgt en pleitten voor een terugkeer naar een eerdere regeling. De gecertificeerde instelling stelde een nieuwe omgangsregeling voor, maar deze werd door de moeder en de vader als onvoldoende ervaren.

De kinderrechter concludeerde dat er geen overeenstemming was bereikt en dat alle betrokkenen openstonden voor overleg om tot een oplossing te komen. De behandeling van het verzoek werd aangehouden tot de zitting op 11 december 2025, waarbij de gecertificeerde instelling werd verzocht om een update te geven over de voortgang van het overleg. De beslissing werd openbaar uitgesproken door de kinderrechter en op schrift gesteld op 4 november 2025. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/688262 / JE RK 25-1205
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing: aanhouding
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.O. Zengin uit Den Haag,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in Zoetermeer,
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders,
gezamenlijk wonend op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 september 2025 het verzoek van de moeder tot gehele dan wel gedeeltelijke vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling en de door haar voorgestelde omgangsregeling vast te stellen, aangehouden. Hierbij heeft de kinderrechter opdracht aan de gecertifieerde instelling gegeven om voor de zitting van 9 oktober 2025 samen met alle belanghebbenden te onderzoeken welke regeling, rekening houdend met de belangen van alle belanghebbenden, en in het bijzonder de belangen van de kinderen, het meest passend is.
De kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling daarbij verzocht voor deze zitting een update te verstrekken over het resultaat van het onderzoek en aan te geven welke (gedeeltelijke) overeenstemming is bereikt en welke knelpunten nog
resteren.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 11 september 2025 en de hierin benoemde stukken;
- het e-mailbericht van de pleegouders met bijlagen van 16 september 2025.
1.3.
Op 9 oktober 2025 is de zaak met gesloten deuren ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaak met zaaknummer
C/09/691017 / JE RK 25-1537. De beslissing in deze laatstgenoemde zaak is separaat op schrift gesteld.
Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders.

2.De feiten

2.1.
De kinderrechter verwijst voor een weergave van de feiten naar de beschikking van 11 september 2025.

3.De beoordeling

3.1.
De kinderrechter stelt vast dat door de gecertificeerde instelling geen uitvoering is gegeven aan de opdracht zoals opgenomen in de beschikking van 11 september 2025. Er heeft nog geen nader onderzoek en overleg met alle belanghebbenden plaatsgevonden over welke regeling het meest passend en in het belang van de kinderen is. Ook heeft de kinderrechter geen update ontvangen.
3.2.
Ter zitting zijn de wensen van de belanghebbenden met betrekking tot de invulling van de omgangsregeling besproken.
3.3.
De moeder acht het nog steeds in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid is wanneer zij hun ouders zien. Zij handhaaft haar verzoek met betrekking tot de invulling van de omgangsregeling. De moeder wenst dat de kinderen twee keer per maand langer omgang hebben met de moeder en bij haar kunnen blijven slapen, waarbij de onbegeleide momenten dan in het weekend en de begeleide bezoeken om de week doordeweeks kunnen blijven plaatsvinden. De moeder wil de begeleide momenten graag behouden omdat ze hier veel van leert. De moeder zou graag beide kinderen tegelijk bij haar hebben tijdens de omgangsmomenten. Het is niet wenselijk en erg verwarrend voor de kinderen wanneer zij tijdens de bezoeken worden gescheiden. De omgangsregeling die ter zitting door de gecertificeerde instelling is voorgesteld zou een te forse inperking zijn van de nu al zeer beperkte omgang die de moeder met de kinderen heeft. Het is hiernaast onbegrijpelijk voor de moeder dat de gecertificeerde instelling naar voren heeft gebracht dat de omgangmomenten met de kinderen dan eventueel volledig begeleid zouden moeten plaatsnemen. De moeder heeft nu ook al onbegeleide omgang met de kinderen en dit gaat goed. Dit blijkt ook uit het omgangsverslag van het Zorghuisje. De kinderen hebben duidelijk behoefte aan nabijheid van hun moeder en spreken dit ook naar haar uit. Het is belangrijk dat naar hun wens hierin wordt geluisterd.
3.4.
De vader wenst een regeling waarbij beide kinderen samen om het weekend bij de vader verblijven van vrijdag uit school tot en met zondag. De vader vindt het belangrijk dat hij beide kinderen tegelijk ziet. De vader staat open voor een opbouw hierin. Daarnaast vindt de vader het belangrijk om ook kennis te maken met de school van de kinderen, omdat hij hier niet eerder is geweest. De vader ondersteunt verder het verzoek van de moeder. Ook de vader vindt het belangrijk dat er rust en duidelijkheid voor de kinderen komt.
3.5.
De pleegouders wensen terug te keren naar een eerdere regeling waarbij in het ene weekend één kind bij de moeder en één kind bij de vader is en waarbij de kinderen in het andere weekend bij de pleegouders verblijven. Hierbij is een overnachting bij de moeder op dit moment nog niet wenselijk. De pleegouders staan open voor een opbouw van een verblijf van twee kinderen tegelijk bij de vader. De huidige regeling, met name de doordeweekse contacten, zorgt voor veel onrust bij de kinderen. De kinderen ondervinden veel spanningen door het gebrek aan structuur die de huidige omgangsregeling met zich meebrengt en met betrekking tot de omgangsmomenten zelf. De kinderen hebben rust, structuur en regelmaat nodig. Voordat de kinderen dit hebben, kan er ook geen traumabehandeling voor hen worden ingezet, wat wel hard nodig is. Het is daarom belangrijk dat de kinderen een heel weekend bij de pleegouders kunnen zijn, zodat zij weer tot rust kunnen komen. De pleegouders zijn bang dat de kinderen in het voorstel van de gecertificeerde instelling ook onvoldoende rust krijgen.
3.6.
De gecertificeerde instelling stelt in overleg met pleegzorg een regeling voor waarbij beide kinderen één keer per drie weken een weekend (in principe van zaterdag 12:00 uur – zondag 18:00 uur) bij de vader verblijven. Met betrekking tot de moeder is het voorstel dat steeds één kind één keer per drie weken op een weekenddag bij de moeder verblijft, waarbij nog geen overnachting zal plaatsvinden en waarbij dit contact bij voorkeur begeleid wordt. De doordeweekse contacten met de moeder komen dan te vervallen. Daarnaast verblijven de kinderen dan één keer per drie weken een weekend bij de pleegouders. De gecertificeerde instelling is van mening dat deze omgangsregeling voor rust en duidelijkheid bij de kinderen zal gaan zorgen. Het is in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over de omgang en dat zij kunnen profiteren van de structuur die hiermee gepaard gaat, zodat ook de noodzakelijke hulpverlening voor hen kan worden ingezet. De door de moeder voorgestelde omgangsregeling zal de noodzakelijke rust en structuur niet kunnen brengen. De vader heeft aangegeven graag beide kinderen in het weekend bij hem te hebben. Zo nodig kan hierin een opbouw plaatsvinden.
3.7.
De kinderrechter stelt vast dat het ter zitting niet is gelukt tot overeenstemming over de invulling van de omgangsregeling te komen. Het is duidelijk dat alle betrokken graag het beste willen voor de kinderen, maar dat de vader, als de moeder, en de pleegouders ook hun eigen wensen en overtuigingen hebben met betrekking tot hoe hier invulling aan moet worden gegeven. Ter zitting is besproken dat alle betrokkenen ervoor open staan om in onderling overleg, in het bijzijn van de advocaat van de moeder en een medewerker van de betrokken pleegzorginstantie, te proberen tot overeenstemming te komen over een omgangsregeling die recht doet aan de belangen van alle betrokkenen, maar in het bijzonder aan het belang van de kinderen. Om de uitkomst van dit overleg aan af te wachten, zal de kinderrechter de behandeling van het verzoek opnieuw aanhouden
tot de zitting van 11 december 2025 om 09:45 uur.
3.8.
De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling de opdracht
één weekvoor de volgende zitting een update te verstrekken over het resultaat van het overleg en aan te geven welke (gedeeltelijke) overeenstemming is bereikt en welke knelpunten eventueel nog resteren.

4.De beslissing

De kinderrechter:
4.1.
houdt de behandeling van het verzoek aan tot de zitting van mr. O.F. Bouwman
van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag, in het gerechtsgebouw aan Prins Clauslaan
60 te Den Haag, op
11 december 2025 te 09:45 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord.
4.2.
verzoekt de gecertificeerde instelling om uiterlijk één week voor voornoemde
zitting een schriftelijke update te overleggen zoals omschreven onder r.o. 3.7 en 3.8;
4.3.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
- de moeder en haar advocaat;
- de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders;
- de vader.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).