ECLI:NL:RBDHA:2025:20552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
NL25.51956
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 5.1b lid 3 VbArt. 5.1b lid 4 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding wegens medische omstandigheden

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was opgeheven vóór de zitting, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

Eiser betwistte de zware gronden voor bewaring, waaronder het niet-regulier binnenkomen en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist waren, mede omdat eiser geen geldige reisdocumenten had en op een gegeven moment zonder bekende bestemming was vertrokken. De medische situatie van eiser, waaronder het ontbreken van adequate medische zorg in detentie, werd door eiser aangevoerd als onrechtmatigheid.

De rechtbank stelde vast dat de medische omstandigheden meegewogen waren en dat de zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig was aan die in de vrije maatschappij. Er was geen bewijs dat de medische dienst onvoldoende zorg bood. Ambtshalve toetsing bevestigde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51956

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. de Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 23 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Maatregel van bewaring

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;- 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i en de lichte gronden 4a en 4e laten vallen, zodat deze niet langer ten grondslag liggen van de maatregel.
5. Eiser betwist alle zware gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat hij geen keuze in of invloed op de wijze van binnenkomen heeft gehad, nu hij is overgedragen aan Nederland door de Belgische autoriteiten. Deze zware grond kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Wat betreft zware grond 3b stelt eiser dat hij zich sinds zijn huidige verblijf in Nederland nooit heeft onttrokken aan het toezicht. Gedurende zijn eerdere asielaanvraag heeft hij maandenlang moeten wachten zonder dat er enige beslissing werd genomen en daarbij had hij geen middelen van bestaan. Vervolgens heeft hij zich gemeld bij de Belgische autoriteiten. Eiser stelt daarom dat hem materieel gezien niet kan worden verweten dat hij zich niet beschikbaar heeft gehouden voor de autoriteiten.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Hiertoe is van belang dat eiser niet beschikt over geldige reisdocumenten of een visum. Dit maakt de grond 3a feitelijk juist. Dat eiser gereguleerd is overgedragen vanuit België maakt dit niet anders. De zware grond 3b is ook feitelijk juist. Uit het dossier blijkt dat eiser op 20 maart 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De door eiser gegeven reden hiervoor, dat hij lang moest wachten op een beslissing op zijn asielaanvraag, doet hier niet aan af.
Medische omstandigheden
7. Eiser wijst op zijn medische situatie, waarvan hij stelt dat deze onmiddellijke aandacht vergt. Hij heeft hier in zijn gehoor ook op gewezen. In België was hij onder medische behandeling, kreeg medicijnen en er stond een operatie gepland. Bij de overdracht is hem een medische verklaring meegegeven. Eiser heeft mailverkeer overgelegd tussen zijn advocaat en de medische dienst van Detentiecentrum [plaats] waar hij verblijft. Tot op heden is geen opvolging gegeven aan zijn urgente medische noden. Op verweerder rust de zorgplicht om toe te zien op de medische voorzieningen voor die noden. Verweerder heeft dit nagelaten, dus is het toepassen van de maatregel onrechtmatig.
8. Eisers medische omstandigheden zijn uitgebreid meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser niet tevreden is over de zorg die hem wordt verstrekt, dient hij zich daarvoor allereerst te wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Uit de mailwisseling die door eiser is overgelegd blijkt dat (de gemachtigde van) eiser dit zeer recent heeft gedaan. Niet is gebleken dat de medische dienst eiser niet willen helpen of dat de geboden hulp onvoldoende is. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.