ECLI:NL:RBDHA:2025:20553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
NL25.52033
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VreemdelingenwetArt. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens vreemdelingenrechtelijke gronden ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. De maatregel was gebaseerd op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht.

Eiser betwistte de zware gronden en verwees naar zijn medische situatie die onmiddellijke aandacht vereist. Hij stelde dat hij in België onder medische behandeling stond en dat de medische zorg in detentie onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat verweerder de medische omstandigheden voldoende had meegewogen en dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52033

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3d en de lichte grond 4a laten vallen, zodat deze niet langer ten grondslag liggen van de maatregel.
5. Eiser betwist alle zware gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat hij geen keuze in of invloed op de wijze van binnenkomen heeft gehad, nu hij is overgedragen aan Nederland door de Belgische autoriteiten. Deze zware grond kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Wat betreft zware grond 3b stelt eiser dat hij zich sinds zijn huidige verblijf in Nederland nooit heeft onttrokken aan het toezicht. Gedurende zijn eerdere asielaanvraag heeft hij maandenlang moeten wachten zonder dat er enige beslissing werd genomen en daarbij had hij geen middelen van bestaan. Vervolgens heeft hij zich gemeld bij de Belgische autoriteiten. Eiser stelt daarom dat hem materieel gezien niet kan worden verweten dat hij zich niet beschikbaar heeft gehouden voor de autoriteiten.
6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen. Hiertoe is van belang dat eiser niet beschikt over geldige reisdocumenten of een visum. Dit maakt de grond 3a feitelijk juist. Dat eiser gereguleerd is overgedragen vanuit België maakt dit niet anders. De zware grond 3b is ook feitelijk juist. Uit het dossier blijkt dat eiser op 20 maart 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. De door eiser gegeven reden hiervoor, dat hij lang moest wachten op een beslissing op zijn asielaanvraag, doet hier niet aan af.
Medische omstandigheden
7. Eiser wijst op zijn medische situatie, waarvan hij stelt dat deze onmiddellijke aandacht vergt. Hij heeft hier in zijn gehoor ook op gewezen. In België was hij onder medische behandeling, kreeg hij medicijnen en stond er een operatie gepland. Bij de overdracht is hem een medische verklaring meegegeven. Eiser heeft mailverkeer overgelegd tussen zijn advocaat en de medische dienst van Detentiecentrum [plaats] waar eiser verblijft. Tot op heden is geen opvolging gegeven aan zijn urgente medische noden. Op verweerder rust de zorgplicht om toe te zien op een medische voorziening bij die noden. Verweerder heeft dit nagelaten, dus is het toepassen van de maatregel onrechtmatig.
8. Eisers medische omstandigheden zijn uitgebreid meegewogen in de maatregel van bewaring. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Indien eiser niet tevreden is over de zorg die hem wordt verstrekt, dient hij zich daarvoor allereerst te wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Uit de mailwisseling die door eiser is overgelegd blijkt dat (de gemachtigde van) eiser dit zeer recent heeft gedaan. Niet is gebleken dat de medische dienst eiser niet wil helpen of dat die hulp onvoldoende is. Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 november 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.