ECLI:NL:RBDHA:2025:20646

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
NL24.32661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending van de hoorplicht bij visumaanvraag en de beoordeling van economische en sociale binding

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 14 oktober 2025, wordt het beroep van eiser gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht. Eiser, een Pakistaanse nationaliteit houder, had een aanvraag voor een kort verblijf visum ingediend om zijn partner in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken, die stelde dat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om Nederland te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, vanwege onvoldoende sociale en economische binding met de Verenigde Arabische Emiraten, waar eiser woont en werkt. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat verweerder de hoorplicht had geschonden, omdat er voldoende twijfel bestond over de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank merkte op dat eiser bij zijn bezwaarschrift substantiële documentatie had overgelegd ter onderbouwing van zijn economische binding met de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank concludeerde dat verweerder een hoorzitting had moeten houden om de onduidelijkheden te verhelderen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32661

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Karapetjan),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de weigering van een visum aan eiser en over het niet houden van een hoorzitting in de bezwaarfase. Eiser is daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser woont en werkt in de Verenigde Arabische Emiraten. Op 10 januari 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf, om zijn partner in Nederland,
[naam] , te bezoeken.
2.2.
Met het primaire besluit van 24 januari 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
2.3.
Met het bestreden besluit van 24 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat eiser onvoldoende sociale en economische binding heeft met de Verenigde Arabische Emiraten (het land van bestendig verblijf).
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben [naam] (de partner van eiser en tevens referent), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser zelf was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht
3.1.
Eiser voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had hem in een hoorzitting om nadere informatie moeten vragen, in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat een hoorzitting niet tot een ander standpunt had kunnen leiden. Ook als van de door eiser gestelde feiten zou worden uitgegaan, zou verweerder nog steeds aannemen dat eiser onvoldoende binding heeft met het land van bestendig verblijf. Volgens verweerder wordt met het sturen van een vragenlijst in de bezwaarfase bovendien nog niet erkend dat het primaire besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De vragenlijst is slechts bedoeld om de indiener de gelegenheid te geven het bezwaar nader toe te lichten.
3.3.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Eiser heeft bij het toesturen van zijn bezwaarschrift een behoorlijk aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij economische binding heeft met de Verenigde Arabische Emiraten. Verweerder heeft in het bestreden besluit in reactie hierop overwogen dat er onvoldoende objectief verifieerbare stukken zijn overgelegd om de door eiser gestelde werkzaamheden aan te tonen. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd nader toegelicht dat er op zich niet wordt getwijfeld aan het werk dat eiser stelt te hebben en dat er inderdaad ter onderbouwing van het gestelde werk veel stukken zijn overgelegd, maar dat bij het bekijken van die stukken vragen opkwamen naar aanleiding van een aantal onduidelijkheden, bijvoorbeeld over betalingen van loon/salaris in bepaalde maanden. De rechtbank overweegt dat het juist dan op de weg van verweerder had gelegen om onderzoek te doen naar deze onduidelijkheden, door middel van het houden van een hoorzitting. Op een hoorzitting had verweerder de gerezen vragen aan eiser kunnen stellen en eventueel om aanvullende documenten kunnen vragen.
3.5.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de bezwaarfase ook een vragenlijst aan eiser heeft toegezonden om nadere informatie te verkrijgen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat daarmee nog niet is erkend dat het primaire besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens verweerder kan ook na het retour ontvangen van de ingevulde vragenlijst nog steeds sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar, en er dus afgezien kan worden van horen. De vragenlijst is slechts bedoeld om de indiener de gelegenheid te geven het bezwaar nader toe te lichten, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder niet in deze redenering. Uit het toesturen van de vragenlijst blijkt dat verweerder in de bezwaarfase nog geen volledig beeld had van de situatie van eiser en onderzoek nodig vond. Het toesturen van een vragenlijst met verzoek om stellingen te onderbouwen is een vorm van onderzoek. Als verweerder dit soort onderzoek in de bezwaarfase nodig vindt en in gang zet, en de vragenlijst komt gedetailleerd ingevuld en met onderbouwing bij verweerder retour, valt moeilijk in te zien dat dan nog sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiser had in zijn bezwaarschrift bovendien expliciet verzocht om gehoord te worden.
3.6.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar in het geval van eiser niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren en dat verweerder dus een hoorzitting had moeten houden.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
4.1.
In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank verder het volgende op. De motivering van verweerder over de afwezigheid van economische binding is voor de rechtbank op dit moment niet overtuigend. Op de zitting heeft referent toegelicht dat eiser een marktconform inkomen heeft en toegelicht waarom hij vindt dat sprake is van een marktconform inkomen. Referent heeft een benchmarkprocedure uitgevoerd en daarbij gebruik gemaakt van wereldwijde leveranciers van marktdata. Referent is werkzaam op dit gebied en heeft daarom beschikking tot deze data. Een korte zoekslag op internet levert de informatie op dat tussen de 4.000 en 8.000 AED per maand een algemeen maandsalaris is. Dat zou neerkomen op 48.000 AED per jaar. Als die informatie juist is, dan is het salaris dat eiser stelt te verdienen, 60.000 AED, een marktconform inkomen. Verweerder heeft geen onderbouwing gegeven voor het standpunt dat het inkomen van eiser niet markconform zou zijn. Op de zitting heeft verweerder desgevraagd ook niet kunnen toelichten of, en zo ja op welke wijze onderzoek is gedaan naar de vraag of eisers salaris al dan niet marktconform is. In reactie op het standpunt van verweerder dat eiser niet in zijn levensonderhoud kan voorzien omdat hij elke maand een bedrag van zijn ouders ontvangt, heeft referent op de zitting toegelicht dat eiser dit geld ontvangt omdat zijn vader een succesvol bedrijf heeft in Pakistan. Zijn vader wil een gedeelte van de opbrengst graag delen met zijn kinderen. Concluderend merkt de rechtbank op dat eisers economische binding met de Verenigde Arabische Emiraten stevig is onderbouwd en dat de vragen die verweerder hierover nog heeft, aan de orde kunnen komen tijdens een hoorzitting in bezwaar.
4.2.
De rechtbank merkt verder op dat zij ook de motivering van verweerder over de afwezigheid van sociale binding niet overtuigend vindt. Referent heeft hierover toegelicht dat eisers broer ook in de Verenigde Arabische Emiraten woont en dat eiser een goede band heeft met zijn broer. Verder is er een grote Pakistaanse gemeenschap in de Verenigde Arabische Emiraten waar eiser veel mee om gaat en hecht mee is. De rechtbank vindt het, gelet daarop, aannemelijk dat er, in ieder geval tot op zekere hoogte, sprake is van sociale binding met de Verenigde Arabische Emiraten. Vragen en onduidelijkheden op dit punt kunnen aan de orde komen tijdens een hoorzitting in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.