ECLI:NL:RBDHA:2025:20678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.39946
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding in asielzaak na intrekking beroep

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan over een verzoek van een asielzoeker om vergoeding van proceskosten. De verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, had eerder een beroep ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door Y. Makarevich, omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank had de minister opgedragen om binnen twee weken na de uitspraak van 3 april 2025 te beslissen op de aanvraag. Op 30 september 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen, waarna de verzoeker zijn beroep heeft ingetrokken en om proceskostenvergoeding heeft verzocht.

De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel de minister niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, hij uiteindelijk tegemoet is gekomen aan het beroep van de verzoeker door een besluit te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker procesbelang had, omdat de rechterlijke dwangsom nog niet volledig was verbeurd op het moment van indienen van het beroep. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten. Dit bedrag is vastgesteld op basis van de inschakeling van een professionele juridische hulpverlener en de wegingsfactor van de zaak, die als lichtgewicht werd beschouwd. De uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf en is openbaar gemaakt op 31 oktober 2025.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39946
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: Y. Makarevich).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verzoeker heeft een beroep ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 3 april 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twee weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvraag). Verzoeker heeft beroep ingesteld, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.
Op 30 september 2025 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op het verzoek gereageerd en aangegeven niet bereid te zijn de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
Overwegingen
De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.3

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:5549.

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers, hoewel niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn, alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoeker.
4. De rechtbank stelt vast dat verzoeker beroep heeft ingesteld op 22 augustus 2025, terwijl op dat moment de rechterlijke dwangsom nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.4 De rechtbank stelt ook vast dat de rechterlijke dwangsom op 16 september 2025 wel volledig was verbeurd en dat de minister toen nog altijd geen besluit had genomen op de aanvraag van verzoeker.
5. Het verzoek wordt daarom als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 31 oktober 2025
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.