Eiser werd op 25 september 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij had een vaste verblijfplaats bij zijn broer in Amsterdam en gaf aan mee te zullen werken aan zijn vertrek, ondanks dat hij niet vrijwillig wilde vertrekken. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een lichter middel en heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen, omdat verweerder niet heeft onderzocht of met minder ingrijpende maatregelen kon worden volstaan. Ook is niet ingegaan op de vaste woon- en verblijfplaats van eiser en zijn medewerking.
De bewaring werd op 8 oktober 2025 opgeheven, waarna de rechtbank het beroep op 14 oktober 2025 behandelde. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €1.430,- voor 14 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.814,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.