ECLI:NL:RBDHA:2025:20710
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op opheffing inreisverbod en SIS-signalering ondanks Portugese verblijfsvergunning
Eiser, een Algerijnse staatsburger, kreeg op 29 maart 2019 een inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Op 21 november 2024 verzocht hij om opheffing van dit verbod, maar dit werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat eiser niet aan de voorwaarden voldeed, met name omdat hij de EU niet had verlaten en geen geldige verblijfsvergunning bezat.
Eiser voerde aan dat hij sinds het opleggen van het inreisverbod een baan en woning in Portugal heeft, en dat het verbod disproportionele gevolgen heeft voor zijn privé- en familieleven, zoals beschermd onder artikel 8 EVRM Pro. Hij stelde dat hij meer dan de helft van de termijn buiten Nederland verbleef en dat de registratie in het Schengen Informatie Systeem (SIS) onterecht was.
De rechtbank overwoog dat de rechtmatigheid van het inreisverbod en de SIS-signalering vaststaat en dat het feit dat eiser geen gevaar voor de openbare orde vormt, daaraan niets verandert. Ook oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen opheffing buiten de voorwaarden om heeft toegestaan, omdat geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn gebleken. De overgelegde Portugese verblijfsvergunning en andere bewijsstukken leiden niet tot een andere beoordeling.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter C.W. Griffioen op 30 oktober 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod en de SIS-signalering is ongegrond verklaard.