Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarop de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden had beslist. Nadat eiser de minister schriftelijk in gebreke had gesteld, stelde hij beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de minister niet binnen de gestelde termijn heeft besloten.
De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van € 100,- verschuldigd, met een maximum van € 15.000,-. Omdat de wettelijke bepalingen omtrent bestuurlijke dwangsommen per 15 april 2025 zijn komen te vervallen, kan de rechtbank de reeds verbeurde dwangsom niet vaststellen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 30 september 2025.