In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend na een eerdere uitspraak van de rechtbank Zwolle op 12 maart 2025. In die uitspraak werd bepaald dat de minister van Asiel en Migratie binnen acht weken na verzending van die uitspraak moest beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis. Eiser stelt dat de minister deze termijn heeft overschreden door geen beslissing te nemen op de aanvraag. De minister heeft een verweerschrift ingediend, maar de rechtbank constateert dat de minister niet binnen de gestelde termijn een besluit heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat er een uitdrukkelijke termijn was gesteld door de bestuursrechter.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 28 augustus 2025 beroep heeft ingesteld, terwijl de rechterlijke dwangsom nog niet was verbeurd. De rechtbank oordeelt dat het procesbelang blijft bestaan zolang er geen besluit is genomen. De rechtbank geeft de minister een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, moet hij een dwangsom van € 250,- per dag betalen, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50. Eiser krijgt vrijstelling van het griffierecht, omdat hij aan de voorwaarden voldoet.