Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL24.32861
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke vernietiging afwijzing visum kort verblijf wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Eiseres, een Pakistaanse vrouw, vroeg op 15 december 2023 een visum kort verblijf aan om haar broer in Nederland te bezoeken. De minister wees de aanvraag af op grond van onvoldoende aannemelijkheid van het doel en de omstandigheden van het verblijf en redelijke twijfel over haar terugkeer naar Pakistan.

De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres getrouwd is en een gezinsleven met twee kinderen in Pakistan heeft, wat een belangrijke sociale binding vormt. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.

Daarnaast heeft de minister het doel en de omstandigheden van het verblijf niet zelfstandig en voldoende gemotiveerd beoordeeld, wat eveneens strijdig is met het motiveringsbeginsel.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het visum wordt vernietigd met de opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.32861
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. C.A. van Es).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [referent] (referent) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op
15 december 2023 heeft eiseres de minister verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf om haar broer (referent) te bezoeken.
3.2.
De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van voldoende sociale en economische binding met Pakistan. In het bestreden besluit wordt enkel de laatst genoemde afwijzingsgrond beoordeeld omdat deze afwijzingsgrond afzonderlijk voldoende is om een visum te weigeren. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in het verlengde van de redelijke twijfel onvoldoende is aangetoond.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
4.1.
In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. De minister heeft een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is. De rechtbank kan het bestreden besluit daarom slechts terughoudend toetsen.
4.2.
Eén van de gronden waarop de minister een visum kan weigeren, is als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De minister moet bij het beoordelen van het voornemen om tijdig terug te keren een individueel onderzoek naar de visumaanvraag verrichten waarin rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de visumaanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in een van de lidstaten en zijn banden in het land waarin diegene woont en in de lidstaten. De minister hoeft daarbij geen zekerheid te verkrijgen over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum, maar moet bepalen of er redelijke twijfel over dat voornemen bestaat. [1] Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig naar het land van herkomst terug te keren, mag de minister zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de aanvrager met het land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit niet alle feiten heeft betrokken. De minister heeft in het bestreden besluit namelijk in het kader van de sociale binding ten onrechte niet betrokken dat eiseres getrouwd is en een gezinsleven heeft in Pakistan met haar man en twee kinderen. Tijdens het beoogde korte verblijf blijft haar man achter in Pakistan die daar een landbouwbedrijf heeft. Het standpunt van de minister dat er sprake is van onvoldoende sociale binding is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen. Dit betekent dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Doel en omstandigheden van het verblijf
5.1.
Het standpunt van de minister over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf vloeit voort uit het standpunt van de minister over de redelijke twijfel omtrent een tijdige terugkeer van eiseres.
5.2.
De rechtbank overweegt dat redelijke twijfel over een tijdige terugkeer enerzijds en het niet aannemelijk maken van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf anderzijds ieder zelfstandige afwijzingsgronden zijn. Deze moeten dan ook als zodanig worden behandeld. De minister kan dus niet stellen dat de motivering voor de ene afwijzingsgrond voortvloeit uit de andere, maar moet voor elke afwijzingsgrond een zelfstandige motivering geven. Dat heeft de minister in het geval van eiseres niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt.
5.3.
Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Bij het nemen van een nieuw besluit ligt het voor de hand dat de minister eiseres en/of referent voorafgaand aan een nieuw te nemen besluit zal horen. Gedurende het beroep zijn de omstandigheden van eiseres gewijzigd. De rechtbank geeft de minister mee dat betrokken moet worden dat de kinderen van eiseres leerplichtig zijn en naar school moeten waardoor zij niet mee kunnen reizen met eiseres. Ook dient de minister te betrekken dat eiseres nu voor een maand naar Nederland wil reizen in plaats van drie maanden, zoals ten tijde van de aanvraag haar voornemen was.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.