De rechtbank Den Haag behandelde op 27 oktober 2025 het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige dochter, geboren in 2012. De vader wenst actief zijn ouderrol te vervullen en mee te beslissen over belangrijke zaken in het leven van het kind. De moeder voert verweer en stelt dat de vader sinds de geboorte nauwelijks betrokken is geweest en dat gezamenlijk gezag verwarring zou veroorzaken.
De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat het gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend. Er is geen onaanvaardbaar risico dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. De beperkte betrokkenheid van de vader in de eerste jaren weegt niet zwaar genoeg om het verzoek af te wijzen. De ouders worden geacht in staat te zijn tot communicatie en overleg.
Daarnaast is een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige op specifieke zaterdagen in oktober 2025 en vervolgens eens per twee weken in het weekend bij de vader verblijft. Er zijn afspraken gemaakt over het verblijf bij de vader, waaronder het verbod op overnachting van andere mannen en dat de vader het kind niet alleen thuis laat. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.