ECLI:NL:RBDHA:2025:20795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
684665
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming van recreatiewoning door vereniging tegen gedaagde wegens overtreding huishoudelijk reglement

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een vereniging en een gedaagde over de huisvesting van arbeidsmigranten in een recreatiewoning. De vereniging vorderde ontruiming van de woning op kavel [kavel 1] omdat de gedaagde, lid van de vereniging, in strijd met het huishoudelijk reglement handelde door bewoners in zijn woning te huisvesten die daar permanent verbleven, wat niet is toegestaan. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement had overtreden, aangezien de woning als hoofdverblijf fungeerde en niet voor recreatieve doeleinden werd gebruikt. De rechtbank heeft de gedaagde veroordeeld om ervoor te zorgen dat de bewoners binnen een maand na de vonnisdatum de woning verlaten, op straffe van een dwangsom. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van € 1.000,- en de proceskosten. De rechtbank overwoog dat de vereniging voldoende bewijs had geleverd van de overtredingen door de gedaagde en dat de vorderingen van de vereniging toewijsbaar waren, ondanks het verweer van de gedaagde dat hij geen overtredingen had begaan.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/684665 / HA ZA 25-383
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
VERENIGING [eiseres]te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. J. Verbeeke te Gouda.
Partijen worden hierna de vereniging en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 23 april 2025, met producties 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord van 18 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
  • het e-mailbericht van de rechtbank van 4 september 2025 met vragen aan partijen;
  • het e-mailbericht van de vereniging van 8 september 2025 met antwoorden op de vragen van de rechtbank.
1.2.
Op 9 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen, bijgestaan door hun advocaten, hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. Na de mondelinge behandeling is de procedure enige tijd aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen. [gedaagde] heeft de rechtbank bericht dat geen minnelijke regeling is getroffen, waarna is bepaald dat vandaag een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De vereniging heeft tot doel het bevorderen van de gemeenschappelijke belangen van de leden/eigenaren en gebruikers van recreatiewoningen en caravans gelegen in de recreatieparken [parknaam 1] en [parknaam 2] (hierna gezamenlijk: het recreatiepark) in [plaats] . De vereniging heeft 156 leden.
2.2.
In artikel 5 lid 1 van de statuten van de vereniging (hierna: de statuten) [1] staat:

De leden zijn verplicht de kavels te gebruiken volgens de bestemming, te weten voor het hebben van een woning (permanent wonen) dan wel een recreatiewoning.
2.3.
[gedaagde] is lid van de vereniging en eigenaar van de kavels [kavel 1] en [kavel 2] gelegen in het recreatiepark.
2.4.
Als lid van de vereniging is [gedaagde] gebonden aan de statuten en reglementen van de vereniging.
2.5.
De leden 4 en 5 van artikel 12 van het huishoudelijk reglement van de vereniging (hierna: het huishoudelijk reglement) [2] luiden:
‘4. De eigenaar van een opstal(len) is, in geval hij/zij de opstal(len) voor een periode langer dan één maand verhuurt of ter beschikking stelt, verplicht, voordat de periode ingaat, een GBA-registratie van de huurders in een Nederlandse gemeente en een kopie van een geldig legitimatiebewijs in te leveren bij de secretaris van de vereniging.
In het geval van een kortere verhuurperiode dan één maand, zoals bijvoorbeeld Airbnb het geval is, is de eigenaar verplicht vooraf bij het secretariaat te melden wie de huurders zijn. Bij in gebreke blijven kan door het bestuur een boete worden opgelegd van € 100,- per dag vanaf de eerste dag van verhuur met een maximum van € 1000,-
Het huisvesten van arbeidsmigranten in recreatieparken is niet toegestaan. De [gemeente] beschouwt huisvesting van arbeidsmigranten als een vorm van permanente bewoning, aangezien de woning als hoofdverblijf van de arbeidsmigrant fungeert en niet wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden. De bestrijding hiervan heeft een hoge prioriteit.
5. Bij ingebreke blijven van het in het vierde lid bepaalde treedt bij eerste dag van verhuur de boetebepaling in werking zoals beschreven in artikel 14.4 van het huishoudelijk reglement.’
2.6.
Op 18 april 2024 heeft de vereniging het volgende e-mailbericht [3] aan [gedaagde] gestuurd:
‘- U heeft aangegeven dat er arbeidsmigranten op beide kavels verblijven. Op nummer [kavel 1] zitten twee mannen en twee vrouwen. Op nummer [kavel 2] zit uw vader en een collega. In ons gesprek hebben wij dit uitvoerig besproken dat dit tegen de regels is van ons park. Tevens gaat de [gemeente] hier ook niet in mee. In ons huishoudelijk reglement artikel 12 lid 4 en 5 staat het volgende:
[…]
Wij verzoeken u vriendelijk om deze arbeidsmigranten een ander adres te laten zoeken. Termijn: vóór 31 mei a.s. Geeft u geen gehoor aan dit verzoek, dan treedt ook hier een boeteclausule in werking volgens artikel 15 lid 1 van ons huishoudelijk reglement.’
2.7.
Artikel 15 lid 1 van het huishoudelijk reglement luidt als volgt:
‘Aan de eigenaar en of gebruiker van de opstal(len) die:
a.
de bepalingen van de statuten of van het huishoudelijk reglement niet nakomt of overtreedt;
b.
zich niet gedraagt naar vergaderingsbesluiten;
c.
zich schuldig maakt aan onbehoorlijk gedrag jegens de medebewoners van de parken;
d.
zich schuldig maakt aan onbehoorlijk gedrag jegens de bestuursleden van de vereniging of diens gemachtigde(n).
kan door het bestuur een waarschuwing worden gegeven. Wordt geen gevolg gegeven aan een waarschuwing, dan kan het bestuur een boete opleggen van honderd euro (€ 100) per geconstateerde overtreding per dag tot een maximum van duizend euro (€ 1000). Blijft de overtreding voortduren dan zal er een extra ALV worden uitgeroepen waarin de vergadering een boete kan opleggen tot maximaal tweehonderd euro (€ 200) per dag.’
2.8.
Op 6 juni 2024 heeft de vereniging nog een e-mail [4] aan [gedaagde] gestuurd:

- U heeft zich niet aan onderstaande afspraken gehouden. Uw huurders/arbeidsmigranten verblijven nog steeds op kavel [kavel 1] . Dit betekent dat de boeteclausule loopt vanaf zaterdag 1 juni. Het bestuur legt u een boete op van € 100,- per dag vanaf de eerste dag van verhuur met een maximum van € 1000,- Dit betekent dat de teller momenteel op € 600,00 staat. U ontvangt hiervoor een factuur. […]
De boeteclausule blijft gedurende deze twee overtredingen gewoon doorlopen. Blijft de overtreding voortduren dan zal er een extra ALV worden uitgeroepen waarin de vergadering een boete kan opleggen tot maximaal tweehonderd euro (€ 200) per dag.
Wij zullen alle rechtsmiddelen die tot onze beschikking staan benutten.’
2.9.
De vereniging heeft twee facturen aan [gedaagde] gestuurd: één van € 619,95 (waarvan € 19,95 administratiekosten) van 6 juni 2024, met vervaldatum 4 juli 2024, en één van € 419,95 (waarvan tevens € 19,95 administratiekosten) van 13 juni 2024, met vervaldatum 11 juli 2024, beide met de omschrijving
‘Boete ivm arbeidsmigranten, conform mail 6-6’.
2.10.
Artikel 23 van het huishoudelijk reglement luidt:
‘1. Het bestuur heeft de machtiging van de vergadering nodig voor het instellen van en berusten in rechtsvordering en het aangaan van dadingen. Indien naar de mening van het bestuur niet kan worden gewacht is geen oproeping van de vergadering vereist, maar deelt dit besluit op de eerstvolgende vergadering mee. Een besluit behoeft de bekrachtiging van de ALV.
2. Het behoeft geen bekrachtiging om verweer te voeren in kort geding.’
2.11.
Op 24 juni 2024 heeft het bestuur van de vereniging de leden van de vereniging, waaronder [gedaagde] , opgeroepen voor een Bijzondere Algemene Ledenvergadering op 10 juli 2024 betreffende (onder meer) het geschil met [gedaagde] . Het bestuur van de vereniging heeft daarbij kenbaar gemaakt dat tijdens de ledenvergadering zou worden gestemd over verhoging van de boete van [gedaagde] en over het voeren van een gerechtelijke procedure tegen hem.
2.12.
Tijdens de ledenvergadering van 10 juli 2024, waarbij [gedaagde] ook aanwezig was, zijn beide voorstellen aangenomen.
2.13.
Artikel 19 lid 1 van de statuten luidt als volgt:
‘Bij een overtreding van één der bepalingen van deze statuten en/of huishoudelijk reglement, hetzij door een lid, hetzij door een gebruiker, zal het bestuur de betrokkene een schriftelijke waarschuwing doen toekomen per aangetekende brief en hem wijzen op de overtreding.’

3.Het geschil

3.1.
De vereniging vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
om te bewerkstelligen dat kavel [kavel 1] binnen zeven dagen na dit vonnis zal worden ontruimd en ontruimd zal worden gehouden, althans subsidiair: dat de rechtbank voor kavel [kavel 1] een voorziening treft die zij passend en geboden acht, op straffe van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat [gedaagde] na ommekomst de zeven dagen in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
tot betaling aan de vereniging van een contractuele boete van € 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over de boetebedragen vanaf de data waarop de boetes verbeurd zijn, althans vanaf de dag van dagvaarding;
tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten die de vereniging begroot op € 163, te vermeerderen met € 85 aan extra nakosten als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, voorts te vermeerderen met de wettelijke rente over de gevorderde nakosten vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2.
De vereniging legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. In de woning van [gedaagde] op kavel [kavel 1] is sprake van permanente bewoning door vijf arbeidsmigranten en dat is op grond van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement verboden. Daarnaast heeft [gedaagde] , eveneens in strijd met artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement, niet (tijdig) de benodigde documenten van deze bewoners aangeleverd bij de vereniging. [gedaagde] is gesommeerd om de huisvesting van de arbeidsmigranten op kavel [kavel 1] vóór 31 mei 2024 te beëindigen, maar daaraan heeft hij geen gevolg gegeven. Daarom heeft hij inmiddels de maximale boete van € 1.000 verbeurd (artikel 15 lid 1 van het huishoudelijk reglement). Omdat [gedaagde] vaker het huishoudelijk reglement niet heeft gerespecteerd, vordert de vereniging een dwangsom voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om kavel [kavel 1] te ontruimen en ontruimd te houden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vereniging, althans deze aan de vereniging te ontzeggen, met veroordeling van de vereniging in de proceskosten.
3.4.
[gedaagde] voert daartoe het volgende aan. [gedaagde] betwist artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement te hebben overtreden, omdat de bewoners van zijn woning op kavel [kavel 1] (hierna: de bewoners) in Nederland zijn ingeschreven en hij de benodigde documenten heeft aangeleverd bij de vereniging. Toewijzing van de ontruimingsvordering zou bovendien een onacceptabele inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagde] opleveren en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, nu de bewoners geen overlast veroorzaken en de statuten en het huishoudelijk reglement niet overtreden. De vordering is ook niet toewijsbaar, omdat [gedaagde] uit hoofde van de huurovereenkomst met de bewoners verplicht is hen het ongestoord woongenot van de woning te verschaffen. De gevorderde dwangsom is volgens [gedaagde] buitensporig hoog. Tot slot voert [gedaagde] aan dat de vereniging artikel 19 lid 1 van de statuten overtreedt: het bestuur van de vereniging had [gedaagde] , voorafgaand aan het opleggen van een boete, een schriftelijke waarschuwing moeten doen toekomen per aangetekende brief en hem moeten wijzen op de overtreding, maar dat is niet gebeurd.
3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting heeft de vereniging toegelicht dat zij met haar eerste vordering bedoelt dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat de mensen die nu in de woning op kavel [kavel 1] verblijven daaruit vertrekken, omdat hij hiermee artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement overtreedt. De rechtbank vat de grondslag van deze vordering zo op, dat het gaat om nakoming van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement. De gevorderde contractuele boete ziet eveneens op overtreding van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement.
Wie wonen er in de woning op kavel [kavel 1] ?
4.2.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er vier personen in de woning op kavel [kavel 1] wonen: de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) sinds april 2024 en de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en mevrouw [naam 4] (hierna: [naam 4] ) sinds eind 2024. Aanvankelijk woonden er twee andere personen in de woning in plaats van [naam 3] en [naam 4] , maar zij zijn in mei 2024 vertrokken.
4.3.
In de e-mail van 8 september 2025 aan de rechtbank heeft de vereniging gesteld dat de woning op kavel [kavel 1] door nog een vijfde persoon wordt bewoond, omdat zij een brief geadresseerd aan meneer of mevrouw [naam 5] op nummer [kavel 1] heeft ontvangen. Deze stelling is ter zitting door [gedaagde] betwist: de naam [naam 5] zegt hem niks. De rechtbank is van oordeel dat de vereniging onvoldoende heeft onderbouwd dat er nog een vijfde persoon op kavel [kavel 1] woont. Een enkele brief met daarop de naam [naam 5] en huisnummer [kavel 1] , waarvan onduidelijk wanneer deze is ontvangen, is onvoldoende om vast te stellen dat hij/zij daar momenteel (permanent) woont.
Documenten tijdig aanleveren (artikel 12 lid 4 huishoudelijk reglement)
4.4.
Artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel luidt:
‘De eigenaar van een opstal(len) is, in geval hij/zij de opstal(len) voor een periode langer dan één maand verhuurt of ter beschikking stelt, verplicht, voordat de periode ingaat, een GBA-registratie van de huurders in een Nederlandse gemeente en een kopie van een geldig legitimatiebewijs in te leveren bij de secretaris van de vereniging. […]’
4.5.
Zoals hiervoor onder 4.2 vermeld, wonen [naam 1] en [naam 2] sinds april 2024 in de woning op kavel [kavel 1] . Op grond van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement had [gedaagde] dus vóór april 2024 de BRP-inschrijvingen [5] en kopieën van de geldige legitimatiebewijzen (hierna: de benodigde documenten) van [naam 1] en [naam 2] bij de secretaris van de vereniging moeten inleveren. De vereniging stelt dat [gedaagde] dit pas na 31 mei 2024, en dus te laat, heeft gedaan. Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij in april 2024 op het kantoor van het bestuur van de vereniging is geweest om de benodigde documenten van [naam 1] en [naam 2] te overhandigen, maar dat er toen nog geen BRP-inschrijving van [naam 1] voorhanden was.
4.6.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] de benodigde documenten van [naam 1] en [naam 2] in april 2024 al niet meer binnen de geldende termijn kon aanleveren, omdat deze, gelet op de tekst van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement, vóór april 2024 aangeleverd moesten worden. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan het vereiste uit artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement ten aanzien van het tijdig aanleveren van de benodigde documenten van [naam 1] en [naam 2] . Daarbij merkt de rechtbank op dat ter zitting is gebleken dat [naam 1] pas sinds 8 juni 2024 is ingeschreven in een Nederlandse gemeente, zodat zijn benodigde documenten hoe dan ook niet tijdig aangeleverd hadden kunnen worden.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vereniging gesteld dat zij niet is geïnformeerd over de verhuur van de woning van [gedaagde] aan [naam 3] en [naam 4] en hun benodigde documenten (dus) niet heeft ontvangen van [gedaagde] . Daarop reageerde [gedaagde] dat hij omstreeks eind 2024 met [naam 3] en [naam 4] en hun identiteitsbewijzen op het kantoor van de vereniging is geweest. In de e-mail van 8 september 2025 aan de rechtbank heeft de vereniging erkend dat [gedaagde] de identiteitsbewijzen van [naam 3] en [naam 4] heeft overgelegd. Niet is gesteld of gebleken dat hij ook hun BRP-inschrijvingen heeft overgelegd. Ter zitting is wel gebleken dat [naam 3] en [naam 4] pas sinds 13 mei 2025 zijn ingeschreven in de [gemeente] . De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de benodigde documenten van [naam 3] en [naam 4] , die sinds eind 2024 in zijn woning verblijven, niet tijdig heeft kunnen aanleveren.
4.8.
Kortom, [gedaagde] heeft artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement overtreden in die zin dat hij niet (op tijd) alle benodigde documenten van de bewoners van de woning op kavel [kavel 1] bij de secretaris van de vereniging heeft ingeleverd.
Verbod op permanente bewoning (artikel 12 lid 4 huishoudelijk reglement)
4.9.
Het tweede onderdeel van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement betreft het volgende:
‘Het huisvesten van arbeidsmigranten in recreatieparken is niet toegestaan. De [gemeente] beschouwt huisvesting van arbeidsmigranten als een vorm van permanente bewoning, aangezien de woning als hoofdverblijf van de arbeidsmigrant fungeert en niet wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden. De bestrijding hiervan heeft een hoge prioriteit.’
4.10.
Partijen hebben ter zitting gediscussieerd over de betekenis c.q. de definitie van het woord arbeidsmigrant. De vereniging heeft gesteld dat de bewoners arbeidsmigranten zijn, omdat zij - zoals [gedaagde] ook heeft bevestigd - alle vier vanuit het buitenland naar Nederland zijn gekomen voor werk. Zij heeft verder verwezen naar de strekking van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement: het voorkomen van permanente bewoning (door onder meer arbeidsmigranten). Volgens de vereniging is het niet de bedoeling dat een woning op het recreatiepark als hoofdverblijf fungeert en niet wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden. Op deze manier moet het verbod van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement volgens de vereniging worden uitgelegd. [gedaagde] laat de bewoners nu op een wijze van zijn woning gebruik maken die onder dit verbod valt.
4.11.
[gedaagde] heeft daarentegen verwezen naar de definitie van arbeidsmigrant zoals omschreven in het Beleidskader huisvesting arbeidsmigranten en kamerverhuur [gemeente] :
‘een onderdaan van een andere lidstaat van de Europese Unie die zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft en in Nederland verblijft om tijdelijke werkzaamheden te verrichten’. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat de vier bewoners allemaal zijn ingeschreven in een Nederlandse gemeente, namelijk op het adres van het recreatiepark in de [gemeente] . Daar komt bij dat [naam 1] en [naam 2] al jaren in Nederland werken en er dus geen sprake is van tijdelijke werkzaamheden. Op grond van het voorgaande betwist [gedaagde] dat hij artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement heeft overtreden.
4.12.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van overtreding van het tweede deel van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement door [gedaagde] , is de uitleg van (dit onderdeel van) deze bepaling van belang. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van deze bepaling is dat permanente bewoning van een recreatiewoning op het recreatiepark niet is toegestaan. Zij baseert die uitleg op de tekst van de bepaling waaruit de rechtbank opmaakt dat het huisvesten van arbeidsmigranten is niet toegestaan
omdatdat wordt gezien als een vorm van permanente bewoning. De rechtbank hecht in dit verband ook waarde aan het bepaalde in artikel 5 van de statuten (zie 2.2). Weliswaar wordt in artikel 5 van de statuten ook permanente bewoning genoemd als bestemming van de kavels van het recreatiepark. Ter zitting heeft de vereniging echter (onbetwist) verklaard dat dat onderdeel van artikel 5 lid 1 van de statuten ziet op woningen die vallen onder een oude regeling en dat sinds 1993 permanente bewoning van woningen op het recreatiepark niet meer is toegestaan. Ook uit artikel 5 van de statuten volgt naar het oordeel van de rechtbank dus de verplichting van leden van de vereniging om de kavels te gebruiken voor een recreatiebestemming, en niet voor permanente bewoning.
4.13.
De bewoners van kavel [kavel 1] zijn allemaal ingeschreven op het adres van het recreatiepark in de [gemeente] en niet op een ander adres in Nederland. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij alle vier voor werk naar Nederland zijn gekomen, het hele jaar in Nederland verblijven en alleen een of twee keer per jaar op vakantie gaan naar Oekraïne of Polen. De bewoners verblijven volgens [gedaagde] niet op andere adressen in Nederland. De rechtbank concludeert hieruit dat de woning op kavel [kavel 1] voor de bewoners fungeert als hoofdverblijf en niet wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van gebruik van de recreatiewoning onder het verbod van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement valt. De strekking daarvan is immers dat permanente bewoning van een recreatiewoning op het recreatiepark (bijvoorbeeld door arbeidsmigranten) niet is toegestaan. Bij die stand van zaken hoeft de rechtbank niet verder in te gaan op de vraag of de bewoners voldoen aan de definitie van ‘arbeidsmigrant‘ die wordt gehanteerd in het hiervoor aangehaalde beleidskader van de [gemeente] .
4.14.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement ook op het tweede onderdeel heeft overtreden, namelijk door de bewoners zijn woning op kavel [kavel 1] permanent te laten bewonen.
Vordering tot ontruiming van kavel [kavel 1]
4.15.
Volgens [gedaagde] is niet gesteld of gebleken dat de bewoners overlast veroorzaken of dat zij handelen in strijd met de statuten of het huishoudelijk reglement. Het desondanks vorderen van ontruiming van kavel [kavel 1] is dan ook een onacceptabele inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagde] en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Ter zitting heeft de vereniging aangevoerd dat wel sprake is van overlast. Hoe dan ook, is overlast geen voorwaarde voor de vereniging om zich te kunnen beroepen op nakoming van de regels van het huishoudelijk reglement. [gedaagde] heeft de kavels gekocht, is lid geworden van de vereniging en is daarmee aan de regels van de vereniging gebonden die zijn vastgelegd in de statuten en reglementen van de vereniging. Dat betekent dat zijn eigendomsrecht in zoverre beperkt wordt, dat hij zijn woning(en) niet mag verhuren op een wijze die in strijd is met artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen onacceptabele inbreuk op zijn eigendomsrecht en ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
4.16.
Ook het verweer van [gedaagde] dat de ontruimingsvordering niet toewijsbaar is omdat hij uit hoofde van de huurovereenkomst met de bewoners verplicht is om hen het ongestoord woongenot van de woning te verschaffen, faalt. Dit verweer kan de vereniging niet worden tegengeworpen, omdat een eventuele huurovereenkomst - waarvan de rechtbank de inhoud niet kent - een contractuele relatie tussen [gedaagde] en de bewoners betreft. Daarnaast geldt ook hier: [gedaagde] heeft zich als eigenaar gecommitteerd aan de statuten en reglementen van de vereniging. De omstandigheid dat [gedaagde] daardoor mogelijk niet kan voldoen aan de verplichtingen uit een huurovereenkomst komt voor zijn rekening en risico.
4.17.
Artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement heeft, zoals hiervoor geoordeeld, de strekking permanente bewoning te voorkomen. [gedaagde] handelt in strijd met die bepaling door de bewoners in zijn woning op kavel [kavel 1] te huisvesten waarbij de woning als hun hoofdverblijf fungeert, en niet wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden. Aan die situatie moet een einde worden gemaakt. De primaire vordering is naar het oordeel van de rechtbank echter te ruim geformuleerd om dat te bereiken en zal daarom worden afgewezen. De rechtbank zal de subsidiaire vordering toewijzen en een voorziening voor kavel [kavel 1] treffen die zij passend en geboden acht. De rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] de woning op kavel [kavel 1] in het recreatiepark binnen een maand na de vonnisdatum hebben verlaten.
4.18.
Gezien het moeizame en inmiddels verstoorde contact tussen partijen en het gegeven dat het hen ook na de mondelinge behandeling niet is gelukt tot afspraken te komen over het gebruik van de woning, acht de rechtbank toewijzing van de gevorderde dwangsom aangewezen. Deze zal echter wel worden gematigd en gemaximeerd.
Contractuele boete
4.19.
De vereniging maakt ook aanspraak op de contractuele boete van € 1.000 die [gedaagde] volgens haar op grond van artikel 15 lid 1 van het huishoudelijk reglement verschuldigd is. De vereniging voert aan dat [gedaagde] nog steeds in overtreding is van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement, ondanks dat de vereniging hem op 18 april 2024 heeft gesommeerd en in gebreke heeft gesteld om deze overtreding vóór 31 mei 2024 te beëindigen. Dat betekent dat [gedaagde] met ingang van 1 juni 2024 de contractuele boete van € 100 per dag verbeurde en inmiddels de maximale boete van € 1.000 heeft verbeurd, aldus de vereniging.
4.20.
[gedaagde] betwist dat sprake is van een overtreding van artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement en daarmee dat hij een contractuele boete aan de vereniging verschuldigd is. Daarnaast voert hij het verweer dat de vereniging in strijd met artikel 19 lid 1 van de statuten heeft gehandeld door hem geen schriftelijke waarschuwing per aangetekende brief te hebben gestuurd voorafgaand aan het opleggen van een boete.
4.21.
Per e-mail van 8 september 2025 aan de rechtbank heeft de vereniging – samengevat – als volgt op dit standpunt van [gedaagde] gereageerd. De achtergrond van artikel 19 lid 1 van de statuten is dat een lid dat in overtreding is, eerst schriftelijk op die overtreding moet worden gewezen, alvorens de boetes verbeurd kunnen worden. Dat de vereniging [gedaagde] niet eerst een schriftelijke waarschuwing per aangetekende brief heeft gestuurd is niet relevant. De bedoeling van verzending per aangetekende post is immers te bewerkstelligen dat de inhoud van het bericht de geadresseerde bereikt, en dat is gebeurd nu [gedaagde] heeft erkend de e-mail van 18 april 2024 te hebben ontvangen.
4.22.
De rechtbank is, met de vereniging, van oordeel dat de ratio van de voorgeschreven verzending per aangetekende post is te bewerkstelligen dat de inhoud van het bericht de geadresseerde bereikt zodat deze daarvan kennis kan nemen. Nu niet in geschil is dat [gedaagde] de e-mail van 18 april 2024 heeft ontvangen en gelezen, gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van [gedaagde] over het niet-aangetekend verzenden van de schriftelijke waarschuwing zoals bedoeld in artikel 19 lid 1 van de statuten.
4.23.
Zoals hiervoor onder 4.8 en 4.14 omschreven, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] artikel 12 lid 4 van het huishoudelijk reglement heeft overtreden. Ingevolge artikel 15 lid 1 van het huishoudelijk reglement (zie 2.7) verbeurde [gedaagde] vanaf 1 juni 2024 dus de contractuele boete van € 100 per dag en heeft hij inmiddels de maximale boete van € 1.000 verbeurd. Tussen partijen is immers niet (meer) in geschil dat [naam 1] en [naam 2] op 1 juni 2024 in de woning op kavel [kavel 1] woonden. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 september 2025 toegelicht dat zij destijds nog steeds in de woning woonden.
4.24.
Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling van de contractuele boete van € 1.000 worden toegewezen.
4.25.
Daarnaast vordert de vereniging om de contractuele boete te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de data waarop de boetes verbeurd zijn, althans vanaf de dag van de dagvaarding. De rechtbank constateert dat de vereniging aanspraak heeft gemaakt op betaling van de verbeurde boete met een factuur gedateerd op 6 juni 2024 met vervaldatum 4 juli 2024 voor een bedrag van € 600,00 en een factuur gedateerd op 13 juni 2024 met vervaldatum 11 juli 2024 voor nog eens € 400,00 (zie 2.9). Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is over een bedrag van € 400,00 met ingang van 4 juli 2024 en over een bedrag van € 600,00 vanaf 11 juli 2024, beide tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten, wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.26.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de vereniging worden begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief II à € 614)
totaal € 4.368,45‬‬.
4.27.
Ook de door de vereniging gevorderde nakosten zullen worden toegewezen. De vereniging begroot deze kosten op € 163,00, te vermeerderen met € 85,00 als het vonnis moet worden betekend. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt eveneens toegewezen, zoals vermeld in de beslissing.
4.28.
Omdat daartegen geen verweer is gevoerd, zal de rechtbank haar beslissingen, zoals gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] het ertoe te leiden dat [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] binnen een maand na de vonnisdatum niet meer in de woning op kavel [kavel 1] in het recreatiepark wonen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de vereniging een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de contractuele boete van € 1.000, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 400,00 vanaf 4 juli 2024 en over een bedrag van € 600,00 vanaf 11 juli 2024, beide tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten (exclusief nakosten), aan de zijde van de vereniging begroot op € 4.368,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 163,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 85,00, extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop de nakosten volledig zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
type: 3416

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding.
2.Productie 2 bij dagvaarding.
3.Productie 3 bij dagvaarding.
4.Productie 4 bij dagvaarding.
5.De GBA is op 6 januari 2014 vervangen door de BRP.