Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.28528
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbWBV 2023/3WBV 2023/26
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-naleving ingebrekestelling bij asielaanvraag

Eiser diende op 23 oktober 2023 een asielaanvraag in en stelde de minister van Asiel en Migratie op 29 mei 2024 schriftelijk in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Op 7 oktober 2024 stelde eiser beroep in, maar de rechtbank Zwolle verklaarde dit beroep op 17 december 2024 niet-ontvankelijk omdat de ingebrekestelling prematuur was. De wettelijke beslistermijn was toen rechtsgeldig verlengd met negen maanden.

Op 27 juni 2025 stelde eiser opnieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen, verwijzend naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de verlenging van de beslistermijn onrechtmatig zou maken. Echter, eiser had na de eerdere uitspraak van 17 december 2024 geen nieuwe ingebrekestelling gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere uitspraak in rechte vaststaat en dat eiser niet voldoet aan de vereiste van een geldige ingebrekestelling voorafgaand aan het beroep. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling is niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling na de eerdere uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28528

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 23 oktober 2023. Eiser heeft met zijn brief van 29 mei 2024 verweerder schriftelijke in gebreke gesteld. Vervolgens heeft hij op 7 oktober 2024 beroep ingesteld [1] . Dat beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, met de uitspraak van 17 december 2024 [2] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling van 29 mei 2024 prematuur is ingediend, omdat de beslistermijn op dat moment nog niet verstreken was. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden met de inwerkingtreding van WBV 2023/3 [3] rechtsgeldig is verlengd met negen maanden.
3. Eiser heeft op 27 juni 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 23 oktober 2023. In de beroepsgronden wijst eiser op het Zimir-arrest [4] , waaruit volgt dat de verlenging van de beslistermijn op grond van WBV 2023/26 niet rechtsgeldig was. Volgens eiser is de uitspraak van 17 december daarmee in strijd. Eiser stelt dat dit tot de conclusie moet leiden dat WBV 2023/26 alsnog buiten toepassing moet blijven en dat de beslistermijn van verweerder is verstreken.
4. Uit het dossier blijkt niet dat eiser verzet heeft ingesteld tegen de uitspraak van 17 december 2024 of dat hij om herziening van die uitspraak heeft verzocht. De uitspraak staat daarmee in rechte vast, en daarmee ook het rechterlijk oordeel dat de ingebrekestelling van 29 mei 2024 prematuur was.
5. Eiser heeft ervoor gekozen om op 27 juni 2025 een nieuw beroepschrift in te dienen. Hij heeft verweerder na de uitspraak van 17 december 2024 echter niet opnieuw schriftelijk in gebreke gesteld. Eiser voldoet dus niet aan het wettelijk vereiste dat hij beroep kan instellen nadat hij het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het had op de weg van eiser gelegen om óf (tijdig) rechtsmiddelen aan te wenden tegen de rechtbankuitspraak van 17 december 2024 óf om verweerder opnieuw schriftelijk in gebreke te stellen, waarna hij opnieuw beroep kan instellen.
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 6 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.zaaknummer NL24.38977
3.Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 januari 2023, nummer WBV
4.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) 12 december 2024, C‑662/23, ECLI:EU:C:2024:1028