Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam],
[naam], V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, bestaande uit meerdere personen en hun minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 22 september 2025 waarbij de minister van Asiel en Migratie hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling heeft genomen. De grond hiervoor was dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun aanvragen op basis van het Dublin-verdrag.
De verzoekers hebben tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de niet-behandeling van hun aanvragen te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdberoepen, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen en geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en griffier M.A. Postma en is openbaar gemaakt op 6 november 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen de niet-behandeling van asielaanvragen wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland zijn afgewezen.