ECLI:NL:RBDHA:2025:20840

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL25.50935
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie heeft op 9 juni 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een vreemdeling van Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 31 oktober 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.

Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting omdat zowel Marokko als Algerije niet meewerken aan het verkrijgen van een laissez-passer. Tevens voerde hij aan dat de bewaring niet langer in redelijke verhouding staat tot het doel, mede vanwege de ernstige ziekte van zijn vader in Parijs. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin al is geoordeeld dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar beide landen.

De minister heeft de inspanningen inmiddels volledig gericht op Marokko, nadat Algerije heeft aangegeven dat eiser daar niet bekend is. De rechtbank acht de voortgang voldoende en ziet geen reden om de bewaring te beëindigen of te verzachten. Ook de persoonlijke omstandigheden van eiser leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50935

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Inleiding

1. De minister heeft op 9 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 25 september 2025 [2] . In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 19 september 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
4. Eiser stelt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Er wordt al geruime tijd geprobeerd een lp [3] te verkrijgen, maar zonder resultaat. Zowel van Marokko als Algerije blijft iedere reactie uit.
5. Eiser voert daarnaast aan dat het voortduren van de bewaring niet langer in redelijke verhouding staat met het te dienen doel ervan. De vader van eiser is namelijk vanwege een zware hartoperatie opgenomen in een ziekenhuis in Parijs. De gezondheidstoestand van de vader is zorgwekkend en eiser ervaart ernstige spanning en machteloosheid omdat hij zijn vader niet kan bijstaan.
Oordeel van de rechtbank
6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak op het laatste volgberoep van 25 september 2025. In die uitspraak is al geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar zowel Algerije als Marokko niet ontbreekt. Op de zitting is door de minister toegelicht dat de Algerijnse autoriteiten kenbaar hebben gemaakt dat eiser bij hen niet bekend is en dit traject daarom op 27 oktober 2025 is afgesloten. De minister richt zijn inspanningen nu volledig op Marokko en heeft in dat kader op 25 september 2025 en 16 oktober 2025 schriftelijk op de lp-aanvraag gerappelleerd. Daarnaast is op 30 september 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. In de enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. De rechtbank vindt de voornoemde gang van zaken eveneens voldoende voortvarend.
7. De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De omstandigheid dat de vader van eiser ernstig ziek is, is al meegewogen in het eerste beroep van eiser en het laatste volgberoep. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser bij zijn vader wil zijn, is niet gebleken dat juist eiser de benodigde zorg moet bieden, of dat de afwezigheid van eiser heeft geleid tot het ontbreken van zorg. De persoonlijke situatie van eiser geeft de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onevenredig bezwarend te vinden of voor het oordeel dat het familie- en gezinsleven van eiser zich verzet tegen zijn verwijdering. [4]
8. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL25.43841.
3.Laissez-passer.
4.Vgl. de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).