ECLI:NL:RBDHA:2025:20852
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep in vreemdelingenzaak
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een voorlopige uitstel van vertrek gekregen van de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 voor de periode van 8 februari 2024 tot 8 augustus 2024. Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit vanwege een vermeend verblijfsgat tussen 13 januari 2024 en 8 februari 2024. De minister handhaafde het besluit bij het bezwaar van 14 februari 2025.
Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank en voerde aan dat het besluit ten onrechte stelde dat hij geen verblijfsrecht meer had, terwijl hij op 1 juli 2024 een aanvraag om een verblijfsvergunning medische behandeling had ingediend en volgens het besluit van 30 juli 2024 procedureel rechtmatig verblijf had gedurende de bezwaarperiode. De minister bevestigde dit tijdens de zitting.
Naar aanleiding hiervan trok verzoeker op 1 augustus 2025 het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een tegemoetkoming door de minister in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het terugkeerbesluit ondanks opschorting gehandhaafd bleef. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door de minister.