ECLI:NL:RBDHA:2025:20881
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
Verweerder heeft op 7 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en deze voortgezet tot 24 oktober 2025, waarna de bewaring werd opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 6 augustus 2025, het moment van sluiting van het onderzoek in een eerdere uitspraak, tot de opheffing. Uit de voortgangsrapportage bleek dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door meerdere rappels bij de Marokkaanse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser. De eerdere bewaringen van eiser rechtvaardigden geen extra uitzettingshandelingen in deze periode.
De belangenafweging wees uit dat de belangen van verweerder bij voortzetting van de bewaring zwaarder wogen dan die van eiser, die ongeveer 5,5 maand in bewaring zat. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals zijn traceerbaarheid en een zwangere vriendin, waren onvoldoende onderbouwd om de bewaring eerder op te heffen.
Ook het beroep op het toepassen van een lichter middel werd verworpen omdat het onttrekkingsgevaar bleef bestaan en er geen concrete omstandigheden waren die de maatregel onevenredig bezwarend maakten. De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en vond geen onrechtmatigheid in het voortduren van de bewaring.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.