Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die van Moldavische nationaliteit is en afkomstig uit Transnistrië. Eiser heeft op 4 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze aanvraag is door de minister van Asiel en Migratie op 6 februari 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 15 augustus 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser heeft aangevoerd dat hij vreest voor vervolging door de Transnistrische autoriteiten, vooral omdat hij een oproep heeft ontvangen voor reservistendienst en eerder heeft gediend bij de vredestroepen van het Transnistrische leger. De rechtbank oordeelt dat de minister een aanvullend voornemen had moeten nemen, omdat de minister in het bestreden besluit erkent dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat, maar dit niet in het voornemen is beoordeeld.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister ook de relevante informatie uit een rapport van het U.S. Department of State moet betrekken. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, die door de minister moet worden betaald. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg, in aanwezigheid van griffier W.J.T. Twijnstra, en is openbaar gemaakt op 24 oktober 2025.