ECLI:NL:RBDHA:2025:20894

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.9983
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Moldavische eiser met beroep op vervolging in Transnistrië

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, die van Moldavische nationaliteit is en afkomstig uit Transnistrië. Eiser heeft op 4 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze aanvraag is door de minister van Asiel en Migratie op 6 februari 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 15 augustus 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser heeft aangevoerd dat hij vreest voor vervolging door de Transnistrische autoriteiten, vooral omdat hij een oproep heeft ontvangen voor reservistendienst en eerder heeft gediend bij de vredestroepen van het Transnistrische leger. De rechtbank oordeelt dat de minister een aanvullend voornemen had moeten nemen, omdat de minister in het bestreden besluit erkent dat er een gegronde vrees voor vervolging bestaat, maar dit niet in het voornemen is beoordeeld.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister ook de relevante informatie uit een rapport van het U.S. Department of State moet betrekken. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, die door de minister moet worden betaald. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg, in aanwezigheid van griffier W.J.T. Twijnstra, en is openbaar gemaakt op 24 oktober 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9983
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.A.C.M. Prins).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 4 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Moldavische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 15 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Avakyam Gouloyan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Transnistrië. Dit is een gebied dat internationaal geldt als onderdeel van Moldavië, maar deze regio wordt feitelijk onafhankelijk van Moldavië bestuurd. Eiser heeft eerder gediend bij de vredestroepen van het Transnistrische leger. Eiser heeft een oproep ontvangen voor de Transnistrische reservistendienst. Eiser wil de dienst weigeren, omdat hij het niet eens is met hoe het leger handelt. Ook vreest eiser voor de Transnistrische veiligheidsdienst, omdat hij ten tijde van een uitreisverbod het land heeft verlaten.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst.
(2) Oproep reservistendienst en uitreisverbod Transnistrië.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide relevante elementen geloofwaardig zijn. Echter is de minister van mening dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk de Moldavische nationaliteit en kan zich daarom vestigen in Moldavië, niet zijnde Transnistrië. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Het nemen van een aanvullend voornemen
8. Eiser voert aan dat de minister een aanvullend voornemen had moeten nemen. In het voornemen van 14 november 2024 concludeert de minister dat er geen gegronde vrees voor vervolging in Moldavië bestaat en daarom zou het niet nodig zijn om dit ook voor Transnistrië te toetsen. De minister heeft echter in het bestreden besluit van 6 februari 2025 erkend dat in het voornemen de vrees bij terugkeer naar Transnistrië had moeten worden beoordeeld. Ook heeft de minister erkend dat kan worden aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Transnistrië een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Transnistrische autoriteiten. Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en naar paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De fouten die de minister erkent en probeert de herstellen in het bestreden besluit, hadden volgens eiser alleen met een aanvullend voornemen kunnen worden hersteld.
9. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de minister een aanvullend voornemen had moeten nemen en overweegt als volgt. Uit artikel 3.119 van het Vb en paragraaf C1/2.12 van de Vc volgt dat, indien er sprake is van een situatie waarin de minister feiten en omstandigheden die al bekend waren, naar aanleiding van de zienswijze anders heeft beoordeeld, de minister een nieuw voornemen moet nemen. In het voornemen is geen aandacht besteed aan de vraag of eiser vrees heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging in Transnistrië. De minister heeft in het bestreden besluit wél erkend dat in het voornemen ten onrechte voorbij is gegaan aan de vaststelling dat eiser te vrezen heeft voor vervolging en dat aan eiser een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) is tegengeworpen. In een dergelijke situatie dient de minister op grond van artikel 3.119 van het Vb en paragraaf C1/2.12 van de Vc een nieuw voornemen uit te brengen. De minister kan niet volstaan met het enkel in de beschikking aan de hand van de zienswijze motiveren dat er sprake is van vluchtelingschap en een binnenlands beschermingsalternatief. De beroepsgrond slaagt.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister opnieuw een voornemen moet uitbrengen met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 9. De minister moet hierbij ook de volgende bron betrekken: U.S. Department of State, 2018, ‘Country Reports on Human Rights Practices: Moldova’. Door partijen is dit rapport niet genoemd en ook op de zitting is dit rapport niet aan de orde gekomen. In dit rapport is de volgende passage opgenomen:

d. Arbitrary Arrest or Detention
The constitution and law prohibit arbitrary arrest and detention and provides for the right of any person to challenge the lawfulness of his or her arrest or detention in court, but authorities sometimes failed to respect these requirements.
According to Promo-Lex, the police continued the practice of routinely detaining persons sought by unrecognized Transnistrian authorities and transferring them to Transnistrian law enforcement bodies without due process. The country’s courts previously ruled the 1999 agreement establishing such cooperation to be unconstitutional, but the practice continued informally.”
11. Deze informatie kan van belang zijn voor de beoordeling van het asielverzoek van eiser en daarom zal de minister, na vaststelling van de actualiteitswaarde, dit rapport bij het nieuw te nemen voornemen moeten betrekken.
12. Omdat het beroep gelet op wat hiervoor is overwogen gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Het is nu eerst aan de minister om een nieuw voornemen te nemen.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.119 sub b, van het Vb en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister zal een nieuw voornemen moeten uitbrengen met inachtneming van deze uitspraak. Eiser zal de gelegenheid moeten krijgen om hierop een zienswijze in te dienen. De minister zal vervolgens een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 februari 2025;
  • draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.