Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1969 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft op 15 augustus 2023 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om referente, haar dochter mevrouw [referente] en kleinkind, te kunnen bezoeken.
2. Verweerder heeft de afwijzing van de visumaanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii en iii, en onder b, van de Visumcode.Eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van het Schengengebied vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten. In dat kader heeft verweerder overwogen dat eiseres geen sterke sociale en economische binding met Iran heeft, waardoor sprake is van vestigingsgevaar. Ten aanzien van de sociale binding heeft verweerder overwogen dat eiseres enige sociale binding heeft met Iran, maar verweerder acht dit niet voldoende om tijdige terugkeer te waarborgen. Eiseres heeft namelijk geen substantiële economische binding met Iran. Eiseres heeft gesteld werkloos te zijn en er is niet gebleken dan wel aannemelijk gemaakt dat zij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Voor zover eiseres heeft gesteld over een eigen woning te beschikken in Iran, leidt dit niet tot de conclusie dat een tijdige terugkeer naar Iran gewaarborgd geacht moet worden, aangezien onroerende eigendommen ook op afstand kunnen worden beheerd, verhuurd of verkocht en derhalve niet de fysieke (en tijdige) aanwezigheid van eiseres in het land van herkomst verlangd. Daarnaast zijn er rond de aanvraag meerdere stortingen met onduidelijke herkomst op haar bankrekening gedaan. In bezwaar heeft eiseres nieuwe saldoverklaringen overgelegd, maar zonder bankafschriften waaruit de opbouw blijkt. Ook het gestelde pensioen van haar echtgenoot bindt eiseres niet persoonlijk. Ten aanzien van de middelen van bestaan heeft verweerder de richtsnoer van € 55 per persoon per dag toegepast en geconcludeerd dat de eigen middelen onvoldoende zijn aangetoond, zodat niet vaststaat dat eiseres tijdens haar verblijf in haar levensonderhoud kan voorzien noch dat zij voldoende middelen heeft om de heen- en terugreis te bekostigen. De garantstelling voldoet volgens verweerder niet, omdat het loon van referente onder de wettelijke minimumloon-norm ligt en een uitkering op grond van de Participatiewet niet meetelt. Tot slot heeft verweerder geen aanleiding gezien om eiseres op haar bezwaren te horen nu er volgens verweerder op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit zouden leiden.
3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij voldoende sociale en economische binding met Iran heeft aangetoond en dat verweerder de twijfel over haar terugkeer onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres wijst op de stukken die zij in de bezwaarprocedure heeft overgelegd, namelijk haar banksaldo, onroerend goed en haar gezinssituatie in Iran. Verder meent eiseres dat, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdelingvan 6 juli 2022,het bezwaar niet kennelijk ongegrond had kunnen worden verklaard en verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres op haar bezwaren.. Voor zover twijfel bestond over stortingen of pensioen, had verweerder nadere vragen moeten stellen en haar in bezwaar moeten horen. Wat de sociale binding betreft stelt eiseres dat zij gehuwd is, haar echtgenoot en meerdere familieleden in Iran wonen en er pensioeninkomsten zijn. Volgens haar heeft verweerder het sociale beeld onvolledig geschetst en zijn beoordelingsruimte overschreden door dit niet dragend te wegen. Dat is bovendien onevenredig in de zin van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Eiseres voert aan dat de sociale binding in dit geval op zichzelf al toereikend is voor visumverlening. Ten aanzien van de middelen van bestaan stelt zij dat, naast haar eigen middelen, een correcte onderbouwende garantstelling krachtens artikel 14, eerste lid en onder c, van de Visumcode voldoende is. Het oordeel dat het inkomen van referente ontoereikend is, is volgens haar niet met objectieve criteria onderbouwd en miskent dat zij zelf ook over middelen beschikt, zodat geen beroep op de openbare kas zal worden gedaan. Eiseres beroept zich verder op artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
5. De Afdeling heeft op 6 juli 2022 een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Verder volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022 dat terughoudend moet worden omgegaan met uitzonderingen op de hoorplicht. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
6. In de bezwaarfase heeft eiseres zich actief ingespannen om haar economische situatie en daarmee haar economische binding met Iran nader toe te lichten. Zij heeft daarover aanvullende informatie verstrekt, als ook over haar sociale binding met Iran. Het gaat onder meer om een nieuwe bankverklaring met een aanzienlijk saldo, een eigendomsbewijs van onroerend goed en de vragenlijst met gegevens over haar huwelijk en familieleden in Iran. Verder zijn stukken over het pensioen van haar echtgenoot overgelegd, naast de bankafschriften op zijn naam. Verweerder heeft daarnaast in het bestreden besluit erkend dat sprake is van enige sociale binding met Iran. Tegelijkertijd bleven in bezwaar vragen open die voor de besluitvorming relevant zijn, waaronder de opbouw van het nieuwe banksaldo en de beschikkingsmacht daarover, de herkomst van de stortingen en de objectieve onderbouwing van de gestelde pensioenbetalingen van de echtgenoot.
7. Gelet op het voorgaande had verweerder aanleiding moeten zien om eiseres, eventueel samen met referente dan wel los van elkaar, te horen in de bezwaarfase en kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft ter zitting bovendien erkend dat over de openstaande vragen in een hoorzitting nadere uitleg had kunnen worden gevraagd. Dat eiseres bij de aanvraag heeft aangegeven werkloos te zijn en dat daarom onduidelijkheid bestond over de stortingen, maakt horen niet overbodig maar juist aangewezen om die onduidelijkheden te adresseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres op haar bezwaren, al dan niet samen met referente.
8. Het beroep van eiseres is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden. Dit maakt dat de andere beroepsgronden niet meer besproken hoeven te worden.
9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiseres en/of referente alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. In de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van
€ 187 dient te vergoeden.