ECLI:NL:RBDHA:2025:21022

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL25.27188
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Meesters – van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Colombia door de Rechtbank Den Haag

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een minderjarige eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. De eiser, afkomstig uit Colombia, diende op 25 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd op 18 juni 2025 door de minister afgewezen als ongegrond. De rechtbank behandelde de zaak op 31 oktober 2025, waarbij de eiser, zijn moeder, de gemachtigde van de eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van de eiser geloofwaardig acht, evenals het asielmotief dat verband houdt met de moord op zijn vader. Echter, de minister concludeert dat deze motieven niet voldoen aan de criteria van het vluchtelingenverdrag en dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank stelt vast dat de vrees van de eiser voor de moordenaar van zijn vader niet voldoende is onderbouwd en dat er geen bewijs is dat de autoriteiten in Colombia niet bereid zouden zijn om hem bescherming te bieden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het besluit van de minister in stand. De rechtbank benadrukt dat de belangen van het kind in de besluitvorming zijn meegenomen, maar dat deze niet doorslaggevend zijn geweest voor de afwijzing van de asielaanvraag. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27188

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.R. Schouten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 25 maart 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn moeder, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verteld dat zijn vader problemen had met mensen die drugs in het huis van zijn vader wilden bewaren. De vader van eiser wilde dit niet, waarna hij door een man in zijn huis is vermoord. Eiser was op dat moment thuis en heeft gezien dat zijn vader is neergestoken. Eiser vreest bij terugkeer naar Colombia voor de man die zijn vader heeft vermoord.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt vast dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Volgens de minister is ook het asielmotief over de dood van de vader van eiser geloofwaardig. De minister concludeert dat deze geloofwaardig geachte asielmotieven niet zijn te herleiden naar één van de vijf gronden van het vluchtelingenverdrag. Ook stelt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. De door eiser verwachtte problemen bij terugkeer naar Colombia zijn niet aannemelijk gemaakt en alleen gebaseerd op vermoedens van de kant van eiser (en zijn moeder). Eiser weet niet zeker of de man die zijn vader heeft vermoord hem heeft gezien en of hij daadwerkelijk door de moordenaar van zijn vader wordt gezocht. Eiser heeft in Colombia nooit problemen ervaren, ook niet na de dood van zijn vader. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten niet welwillend zouden zijn om hem bescherming te bieden, als er zich problemen voordoen in Colombia. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. Eiser krijgt verder geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen. Ook krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV. Eiser krijgt een terugkeerbesluit waarin staat dat hij Nederland en een aantal andere Europese landen binnen vier weken dient te verlaten.
De gronden van beroep
7. Eiser heeft aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het belang van het kind de eerste overweging is in het besluit. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn belangen zich ertegen verzetten dat hij terugkeert naar Colombia, omdat hij daar op jonge leeftijd getuige was van de moord op zijn vader. Omdat zo’n overweging in het bestreden besluit ontbreekt, is het besluit volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.
Beoordeling
8. De rechtbank stelt van dat de gronden van eiser zich richten tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit en verklaart het beroep daarom ongegrond. De rechtbank legt dat hieronder uit.
9. Uit vaste rechtspraak volgt dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en aan die belangen aanzienlijk gewicht moet toekomen. Die belangen kunnen op zichzelf echter niet doorslaggevend zijn. [1] Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft over de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een procedure voor internationale bescherming overwogen dat de lidstaten terdege rekening dienen te houden met het beginsel van eenheid van gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind - waartoe zijn gezondheid, zijn gezinssituatie en zijn opvoeding behoren - en met overwegingen van veiligheid. [2]
10. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat tijdens de besluitvormingsfase de belangen van eiser voorop hebben gestaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het kindvriendelijke gehoor, de snelle besluitvorming en de wijze waarop de beschikking is geschreven. Het belang van eiser ligt er volgens zijn eigen verklaringen in dat hij niet naar Colombia wil, omdat hij bang is dat degene die zijn vader heeft vermoord hem opzoekt en de moordenaar misschien kan achterhalen waar hij is. [3] Door de minister is hier tijdens het gehoor voldoende op ingegaan. Aan eiser is de ruimte gegeven hierover te verklaren en er zijn door de minister nadere vragen gesteld.
11. De minister heeft in zowel het voornemen als het besluit uitgebreid stilgestaan bij het belang dat eiser aanvoert en uitgelegd waarom het aspect veiligheid niet tot internationale bescherming leidt. Door eiser is niets aangevoerd waaruit blijkt dat de minister de aanvraag van eiser niet goed heeft getoetst of dat sprake is van een onjuiste beoordeling door de minister. De minister heeft overwogen dat de gestelde vrees van eiser alleen is gebaseerd op de angst en vermoedens van eiser (en zijn moeder). Eiser heeft in beroep geen objectieve elementen ingebracht die de gestelde vrees onderbouwen. Eiser heeft ook overigens onvoldoende onderbouwd dat door de minister een ander besluit genomen had moeten worden.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de minister om de aanvraag als ongegrond af te wijzen in stand wordt gelaten.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekend gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4685.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024 in de zaak K en L, ECLI:EU:C:2024:487, §75.
3.Nader gehoor, pagina’s 12 en 20.