ECLI:NL:RBDHA:2025:21022
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- N. Meesters – van Luijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag minderjarige uit Colombia door de Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een minderjarige eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. De eiser, afkomstig uit Colombia, diende op 25 maart 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd op 18 juni 2025 door de minister afgewezen als ongegrond. De rechtbank behandelde de zaak op 31 oktober 2025, waarbij de eiser, zijn moeder, de gemachtigde van de eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van de eiser geloofwaardig acht, evenals het asielmotief dat verband houdt met de moord op zijn vader. Echter, de minister concludeert dat deze motieven niet voldoen aan de criteria van het vluchtelingenverdrag en dat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank stelt vast dat de vrees van de eiser voor de moordenaar van zijn vader niet voldoende is onderbouwd en dat er geen bewijs is dat de autoriteiten in Colombia niet bereid zouden zijn om hem bescherming te bieden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het besluit van de minister in stand. De rechtbank benadrukt dat de belangen van het kind in de besluitvorming zijn meegenomen, maar dat deze niet doorslaggevend zijn geweest voor de afwijzing van de asielaanvraag. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.