ECLI:NL:RBDHA:2025:21041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.35371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbWet van 12 maart 2025 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediend tegen niet tijdig beslissen mvv aanvraag nareis

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel, mede namens zijn familieleden. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten.

Eiser vroeg vrijstelling van griffierecht, welke werd toegekend. De rechtbank overwoog dat sinds 15 januari 2024 de minister het fifo-principe toepast bij nareiszaken en dat een aanhouding van het beroep de minister de prikkel zou ontnemen om voortvarend te beslissen. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot aanhouding af.

De rechtbank stelde vast dat op grond van de Wet van 12 maart 2025, die op 28 maart 2025 in werking trad, de beslistermijn voor nareisaanvragen is verlengd tot negen maanden zonder overgangsrecht. De aanvraag van eiser viel onder deze wet, waardoor de beslistermijn nog niet was verstreken toen hij de ingebrekestelling indiende. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en voldeed het beroep niet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid.

De rechtbank verklaarde het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door rechter O. Veldman en griffier D.C. van de Mortel op 29 september 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de mvv aanvraag nareis is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35371
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser, mede namens zijn familieleden, (gemachtigde: mr. E. Berger),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel - artikel 8 EVRM Pro (de aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Bij de behandeling van aanvragen in zogenoemde nareiszaken hanteert de minister sinds 15 januari 2024 het principe van first-in first-out (het fifo-principe). In verband met deze werkwijze is het de rechtbank bekend dat de minister aan de rechtbank primair verzoekt om beroepen tegen het niet tijdig beslissen op aanvragen in nareiszaken aan te houden tot het moment dat de minister de betreffende aanvragen in behandeling neemt. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de aard van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen zich in beginsel tegen een aanhouding verzet. Een aanhouding van de behandeling van het beroep neemt namelijk voor de minister de prikkel weg om voortvarend tot een beslissing te komen.
4. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
5. Sinds 28 maart 2025 is de Wet van 12 maart 2025 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met verlenging van de beslistermijnen in asiel- en nareiszaken3 van kracht. Deze wet bevat geen overgangsrecht, waardoor de wijziging onmiddellijke werking heeft. Dit heeft tot gevolg dat voor nareisaanvragen zoals de onderhavige, waarvan de beslistermijn op 28 maart 2025 nog niet was verstreken en waarop nog niet was beslist, de beslistermijn is verlengd tot negen maanden. De aanvraag van eiser valt onder het toepassingsbereik van deze wet. De beslistermijn op zijn aanvraag is dus tot negen maanden verlengd. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was daarom nog niet verstreken toen hij de ingebrekestelling indiende bij de minister. De ingebrekestelling is daarmee prematuur. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van de Mortel, griffier.
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Staatsblad van 27 maart 2025, nr. 79.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.