ECLI:NL:RBDHA:2025:21044

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.36719
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 9 februari 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging tot maximaal 21 maanden vanwege een besluitmoratorium voor Syrië.

De minister vroeg op 11 maart 2024 om terugname van de asielaanvraag door Kroatië, die dit accepteerde, maar de overdracht vond niet tijdig plaats. Hierdoor werd Nederland per 12 september 2024 verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag. Vanwege het moratorium gold een verlengde beslistermijn tot uiterlijk 9 november 2025.

Eiser stelde de minister op 22 juli 2025 in gebreke, maar dit was vóór het verstrijken van de maximale beslistermijn. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling te vroeg was en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en de zaak is zonder zitting afgedaan.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36719
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De minister heeft de aanvraag op 9 februari 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt deze beslistermijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
4 Artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 Vw.
Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag.5
4. De minister heeft naar aanleiding van onderzoek in het kader van de Dublinprocedure de Kroatische autoriteiten op 11 maart 2024 verzocht om eiser terug te nemen.6 De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op dezelfde dag geaccepteerd. De minister diende eiser vanaf dat moment uiterlijk binnen zes maanden over te dragen.7 De rechtbank stelt vast dat eiser niet tijdig aan Kroatië is overgedragen en dat de minister hierdoor per 12 september 2024 verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.8 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.9
6. De minister dient uiterlijk op 9 november 2025 te beslissen op de aanvraag, omdat op deze datum de maximale beslistermijn van 21 maanden is overschreden.10 De rechtbank overweegt hierbij dat voor de berekening van deze termijn niet de in r.o. 4 bedoelde datum van 12 september 2024, maar de datum van de aanvraag, als startpunt dient.11 Eiser heeft de minister op 22 juli 2025 in gebreke gesteld. De beslistermijn was op dat moment nog niet verstreken. De ingebrekestelling is te vroeg ingediend. Het beroep is daarmee kennelijk niet- ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van de Mortel, griffier.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
6 Artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.
7 Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
8 Stcrt. 2024, 41538.
9 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
10 Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 september 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.