ECLI:NL:RBDHA:2025:21106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.39008 en NL25.39009
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Turkse eiser met Koerdische herkomst en betrokkenheid bij criminele organisatie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Turkse nationaliteit met Koerdische herkomst, tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had op 8 juli 2025 een aanvraag ingediend, maar deze werd op 18 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft op 2 oktober 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de verweerder aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde niet. Eiser stelt dat hij betrokken is bij een criminele organisatie en vreest voor zijn leven bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht twijfelt aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn herkomst en betrokkenheid bij de organisatie. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet tijdig ingediend en zijn verklaringen zijn inconsistent en niet onderbouwd met objectieve documenten. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en het beroep ongegrond verklaart. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.39008 en NL25.39009
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 8 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser stelt tot de Koerdische bevolkingsgroep te behoren. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij betrokken is geweest bij een criminele organisatie en dat deze organisatie hem aansprakelijk stelt voor het verdwijnen van geld. Bij terugkeer naar Turkije vreest hij dat hij door de organisatie gedood wordt.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1) identiteit, nationaliteit en herkomst, en 2) problemen vanwege betrokkenheid bij een criminele organisatie.
3.1.
Verweerder acht eisers identiteit en nationaliteit geloofwaardig. Verweerder vindt eisers herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn Koerdische herkomst volledig onderbouwen, waardoor verweerder verder beoordeeld heeft of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens verweerder is dit niet het geval. De verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend zonder goede verklaring en kan hij in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De problemen van eiser vanwege zijn betrokkenheid bij een criminele organisatie vindt verweerder ook ongeloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die de problemen volledig onderbouwen, waardoor verweerder verder beoordeeld heeft of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens verweerder is dit niet het geval. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten gegeven en daarvoor geen goede verklaring. De verklaringen van eiser vormen verder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend zonder goede verklaring en kan hij in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd.
3.2.
Op grond van de geloofwaardige motieven kan eiser volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze motieven onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. [2] Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit met een vals identiteitsbewijs en een foto van een vals paspoort en omdat hij heeft verklaard deze documenten te hebben aangeboden omdat hij er snel vandoor wilde gaan en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarbij heeft verweerder het terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft ten onrechte eisers Koerdische herkomst en zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie ongeloofwaardig geacht en aangevoerd dat het later indienen van de asielaanvraag in zijn geval verdedigbaar is. Ook heeft verweerder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door geen rekening te houden met eisers trauma en stress, de argumenten uit de zienswijze onvoldoende te weerleggen en de bewijsmiddelen niet af te wachten. Verder heeft verweerder geen individuele belangenafweging gemaakt bij het opleggen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Koerdische herkomst
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van Koerdische herkomst is. Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft verklaard opgegroeid te zijn in een omgeving en huis waarin de Koerdische taal werd gesproken, maar kan zelf niet spreken of schrijven in de Koerdische taal. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat dit in tegenspraak is met zijn verklaringen over zijn taalvaardigheid, geïllustreerd met verklaringen over het leren spreken, schrijven en tolken in de Russische taal in een periode van drie jaar.
Betrokkenheid criminele organisatie
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in deze zaak deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de problemen van eiser vanwege zijn betrokkenheid bij een criminele organisatie ongeloofwaardig vindt.
6.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat hij op verschillende punten tegenstrijdig, vaag of ongerijmd heeft verklaard. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de naam van de criminele organisatie. Ook heeft eiser vaag verklaard hoe hij bij de organisatie terecht is gekomen. Verder verklaart eiser algemeen en ongerijmd over de organisatie zelf, over hoe ver de hand van de organisatie rijkt, over de bedreigingen en de aanleiding ervan en over de beschieting. Voor zover eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het trauma en de stress die eiser ervaarde, waardoor zijn herinneringen inconsistent zijn, overweegt de rechtbank dat eiser deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Eiser is tijdens de gehoren ook gevraagd naar hoe hij zich voelde en of het gehoor doorgang kon vinden. Voor zover eiser verder stelt dat hij gedetailleerde informatie heeft verschaft over de organisatie door namen van personen en locaties te benoemen, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser alleen algemene en oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd, gelet op de duur van zijn werkzaamheden bij de organisatie, zijn verklaringen over de reikwijdte van de organisatie en zijn verklaringen over het contact met andere personen binnen de organisatie. De rechtbank volgt eiser in de stelling dat verweerders tegenwerping dat een dergelijke criminele organisatie gebruik zou maken van professionele huurmoordenaars in plaats van verslaafde handlangers om iemand te beschieten berust op speculatie. Dit neemt echter niet weg dat eisers verklaringen over zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie geen aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft verder in het nader gehoor aangegeven dat hij een bericht zou overleggen van de bedreiging die hij heeft ontvangen na de schietpartij. Dit bericht is tot op heden niet overgelegd en eiser heeft niet uitgelegd waarom dit bericht nog niet is overgelegd.
6.2.
Verder heeft verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daar geen goede verklaring voor heeft. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser in 2022 Europa is ingereisd en pas in 2025 asiel heeft aangevraagd en zelf heeft verklaard dat hij niet van plan was asiel aan te vragen. Voor zover eiser stelt dat hij handelde op basis van strategische keuzes uit wantrouwen en angst en dat hij asiel als laatste oplossing zag, oordeelt de rechtbank dat dit geen goede verklaring is. Verweerder heeft er in dit kader ook op kunnen wijzen dat het omzeilen van asiel en de Dublinverordening niet past bij de kwetsbare positie van iemand die stelt internationale bescherming nodig te hebben.
6.3.
Ook heeft verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen dat de verklaringen van eiser op grote lijnen niet geloofwaardig zijn. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser aan de KMar [3] een vals identiteitsbewijs en een foto van een vals paspoort heeft gegeven en zelf heeft verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van deze valse documenten om er snel vandoor te kunnen gaan, waarmee hij in feite heeft toegegeven dat hij verweerder wilde misleiden.
6.4.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder een groot aantal punten heeft tegengeworpen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder is in de besluitvorming uitgebreid ingegaan op de tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen op verschillende punten en de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiser op grote lijnen. Eiser heeft veel van deze tegenwerpingen in beroep niet (gemotiveerd) bestreden. Voor zover eiser het niet eens is met die tegenwerpingen, kan de rechtbank uit de beroepsgronden dus niet afleiden waarom die tegenwerpingen onjuist zouden zijn.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen met een onmiddellijke vertrekplicht [4] en een inreisverbod voor de duur van twee jaar [5] mogen uitvaardigen.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Koninklijke Marechaussee.
4.Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
5.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.