ECLI:NL:RBDHA:2025:21112
Rechtbank Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Intrekking verzoek tot faillietverklaring en proceskostenveroordeling
Verzoekers dienden een verzoek tot faillietverklaring in tegen verweerder, stellende dat verweerder onbetaalde schulden heeft en andere schuldeisers niet betaalt. Verweerder voerde verweer dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn omdat het verzoek zonder vereiste goedkeuring van de algemene vergadering is ingediend en betwistte het bestaan van opeisbare vorderingen. Tevens stelde verweerder dat het verzoek misbruik van bevoegdheid betrof.
Tijdens de zitting trokken verzoekers hun faillissementsverzoek in, waarna alleen het verzoek van verweerder tot veroordeling van verzoekers in de proceskosten resteerde. De rechtbank oordeelde dat verzoekers geen concrete vorderingen hadden gesteld en dat zij pas ter zitting tot de conclusie kwamen dat het verzoek onhoudbaar was. Dit leidde tot onnodige kosten voor verweerder.
De rechtbank veroordeelde verzoekers in de proceskosten, begroot op €1.228 aan salaris advocaat en bijkomende nakosten, met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Het verzoek om ook de advocaat van verzoekers in de kosten te veroordelen werd afgewezen. De beslissing werd op 4 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoekers trekken faillissementsverzoek in en worden veroordeeld in de proceskosten van verweerder.