ECLI:NL:RBDHA:2025:21126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.52259
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekken toezicht

De minister heeft op 26 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Eiser betoogt dat hernieuwde bewaring niet mogelijk is omdat zijn eerdere inbewaringstelling op 29 oktober 2024 was opgeheven zonder nieuwe feiten. De rechtbank oordeelt dat de eerdere opheffing verband hield met onvoldoende voortvarendheid en dat eiser sindsdien niet vrijwillig aan zijn vertrekplicht heeft voldaan. De minister heeft voldoende gronden aangevoerd, waaronder eerdere onttrekking aan toezicht en het niet opvolgen van een vertrekbesluit.

Eiser stelt dat de motivering onvoldoende geïndividualiseerd is en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank stelt dat de motivering wel degelijk op eiser van toepassing is en dat een lichter middel niet passend is omdat eiser niet meewerkt aan terugkeer.

Voorts is de minister volgens de rechtbank voldoende voortvarend in de overdracht van eiser, onder meer door het starten van een procedure voor een laissez-passer en het voeren van een vertrekgesprek. De rechtbank acht het zicht op uitzetting naar Marokko aanwezig, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De gronden van de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Nieuwe maatregel van bewaring na eerdere opheffing
2. Eiser voert aan dat aan hem niet opnieuw een maatregel van bewaring opgelegd kan worden omdat zijn vorige inbewaringstelling op 29 oktober 2024 is opgeheven en er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan hij opnieuw in bewaring kon worden gesteld.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de eerdere maatregel is opgeheven vanwege onvoldoende voortvarendheid en niet vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Dat hoefde de minister dus niet in de belangenafweging te betrekken. Verder geldt dat eiser na de eerdere opheffing van zijn bewaring daadwerkelijk in vrijheid is gesteld maar niet eigenstandig gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende vertrekplicht. Eiser is na een strafrechtelijk voortraject opnieuw in beeld gekomen, waarna is besloten om het vertrek van eiser vanuit de bewaring verder vorm te geven. Niet kan op voorhand worden gezegd dat de nieuwe poging om eiser uit te zetten niet voortvarend kan worden opgepakt.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. Eiser voert aan dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel niet kunnen dragen omdat de gronden niet zijn geïndividualiseerd en de gronden onvoldoende zijn gemotiveerd.
3.1.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de motivering van de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De feitelijke vaststelling dat een zware grond zich voordoet betekent niet dat de motivering niet is toegespitst op de situatie van een vreemdeling. Aan het vereiste van individueel motiveren wordt ook voldaan als de motivering algemeen is in die zin dat deze ook bij - veel - andere vreemdelingen aan de orde kan zijn. Dit betekent namelijk niet dat deze motivering niet individueel is. [1]
De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat eiser niet beschikt over een reisdocument en zich niet heeft gemeld bij de korpschef. Daarnaast heeft eiser al eerder een terugkeerbesluit gekregen op 28 juli 2016. Daarmee zijn de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist. Omdat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. [2] De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met oplegging van een lichter middel.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Een lichter middel, bijvoorbeeld in de vorm van een meldplicht, is er voor mensen die zelf willen meewerken aan hun uitzetting. Eiser heeft verklaard dat hij niet wil meewerken aan zijn terugkeer. Van zwaarwegende bijzondere belangen die maken dat eiser zijn vertrek in vrijheid moet kunnen voorbereiden, is niet gebleken.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat na het opleggen van de maatregel van bewaring een nieuwe procedure voor het verkrijgen van een laissez-passer wordt opgestart. Daarnaast is er op 31 oktober 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Hiermee gaat de minister voldoende voortvarend te werk.
Bestaat er zicht op uitzetting naar Marokko?
6. Eiser voert aan dat hij geen identificatiedocumenten heeft en dat Marokko zonder dergelijke documenten niet zomaar medewerking geeft aan uitzetting.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2025. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser tot een ander oordeel te komen. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 en 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).