ECLI:NL:RBDHA:2025:21130

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.52260
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking toezicht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 26 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht, eerdere terugkeerbesluiten en het niet meewerken aan terugkeer. Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan.

De rechtbank oordeelt dat de motivering van de maatregel voldoende is, ook al is deze deels algemeen van aard, omdat de minister tijdens de zitting concrete feiten heeft toegelicht die op eiser van toepassing zijn. De zware gronden zijn feitelijk juist en dragen de maatregel. Het beroep faalt ook in het betoog dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, aangezien eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en de medische omstandigheden geen beletsel vormen voor detentie.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt bij de overdracht van eiser, met een vertrekgesprek en aanvraag van een laissez-passer kort na oplegging van de maatregel. Ook is er zicht op uitzetting naar Marokko, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52260

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De gronden van de maatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. Eiser voert aan dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel niet kunnen dragen omdat de gronden niet zijn geïndividualiseerd en de gronden onvoldoende zijn gemotiveerd.
2.1.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de motivering van de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De feitelijke vaststelling dat een zware grond zich voordoet betekent niet dat de motivering niet is toegespitst op de situatie van een vreemdeling. Aan het vereiste van individueel motiveren wordt ook voldaan als de motivering algemeen is in die zin dat deze ook bij - veel - andere vreemdelingen aan de orde kan zijn. Dit betekent namelijk niet dat deze motivering niet individueel is. [1]
De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat eiser niet beschikt over een reisdocument en zich niet heeft gemeld bij de korpschef. Daarnaast heeft eiser al eerder terugkeerbesluiten gekregen in 2011 en 2014 en is op 26 oktober 2025 opnieuw een (aanvullend) terugkeerbesluit genomen. Eiser geeft verder aan niet te willen terugkeren naar Marokko. Daarmee zijn de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3i feitelijk juist. Omdat deze zware gronden feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. [2] De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met oplegging van een lichter middel.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Een lichter middel, bijvoorbeeld in de vorm van een meldplicht, is er voor mensen die zelf willen meewerken aan hun uitzetting. Eiser heeft verklaard dat hij niet wil meewerken. Daarnaast heeft de minister aangegeven dat de medische problematiek van eiser is meegewogen bij de inbewaringstelling. Er is niet vastgesteld dat eiser niet detentiegeschikt zou zijn en eiser heeft dit ook niet onderbouwd. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra kan verder worden gelijkgesteld aan die in de vrije maatschappij. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat eiser pijn heeft aan zijn rug, een ontsteking heeft aan de hand, last heeft van zijn nek en een tekort aan vitamine D heeft. Hij kan zich hiervoor wenden tot de medische dienst van het detentiecentrum. Gelet hierop maken de medische omstandigheden in dit geval niet dat de minister tot een andere afweging had moeten komen.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat er na het opleggen van de maatregel van bewaring op 29 oktober 2025 een vertrekgesprek is gevoerd en een laissez-passer is aangevraagd. Deze aanvraag is op 30 oktober 2025 naar de ambassade verzonden. Daarmee handelt de minister voldoende voortvarend.
Bestaat er zicht op uitzetting naar Marokko?
5. Eiser voert aan dat hij geen identificatiedocumenten heeft en dat Marokko zonder dergelijke documenten niet zomaar medewerking geeft aan uitzetting.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2025. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser tot een ander oordeel te komen Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 en 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
4.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).