Eiser diende op 11 november 2022 een asielaanvraag in en stelde op 6 augustus 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het bestreden besluit waarin de aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vond de identiteit en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig omdat eiser een vals document had overgelegd en geen andere geloofwaardige bewijsstukken kon tonen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond kon afwijzen.
De rechtbank stelde vast dat het onderzoek door Bureau Documenten had uitgewezen dat het nieuw ingebrachte document waarschijnlijk niet authentiek was en dat verweerder geen aanleiding had om eerder onderzoek te doen naar dit document. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard, maar eiser kreeg een vergoeding van de proceskosten wegens de overschrijding van de beslistermijn.
Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bescherming. Tevens werd het beroep tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en het niet verlenen van een reguliere verblijfsvergunning op basis van het buitenschuldbeleid afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.