ECLI:NL:RBDHA:2025:21140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.37999, NL25.38000 en NL25.36356
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 31 lid 6 onder c en e Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en vals document

Eiser diende op 11 november 2022 een asielaanvraag in en stelde op 6 augustus 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het bestreden besluit waarin de aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder vond de identiteit en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig omdat eiser een vals document had overgelegd en geen andere geloofwaardige bewijsstukken kon tonen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond kon afwijzen.

De rechtbank stelde vast dat het onderzoek door Bureau Documenten had uitgewezen dat het nieuw ingebrachte document waarschijnlijk niet authentiek was en dat verweerder geen aanleiding had om eerder onderzoek te doen naar dit document. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard, maar eiser kreeg een vergoeding van de proceskosten wegens de overschrijding van de beslistermijn.

Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bescherming. Tevens werd het beroep tegen het terugkeerbesluit, het inreisverbod en het niet verlenen van een reguliere verblijfsvergunning op basis van het buitenschuldbeleid afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.37999 (beroep), NL25.38000 (voorlopige voorziening) en NL25.36356 (beroep niet tijdig beslissen)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
Eiser heeft op 11 november 2022 zijn asielaanvraag ingediend.
1.2.
Op 6 augustus 2025 heeft eiser een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder (bekend onder nummer NL25.36356). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 6 augustus 2025 heeft eiser apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (bekend onder nummer NL25.37999) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (bekend onder nummer NL25.38000).
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, W. Fadl als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de rechtbank te informeren of er onderzoek is gedaan naar het document dat volgens eiser is afgegeven door de Soedanese ambassade in Saoedi-Arabië en op 15 september 2025 door eiser aan Bureau Documenten is voorgelegd. Verweerder heeft bij brief van 21 oktober 2025 en 28 oktober 2025 gereageerd. Eiser heeft bij brief van 29 oktober 2025 gereageerd.
1.5.
Op 30 oktober 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser stelt dat hij de Soedanese nationaliteit heeft en is geboren op
[geboortedatum] 2006. Eiser heeft verklaard dat zijn ouders Soedan in 2001 of 2002 hebben verlaten vanwege de burgeroorlog en naar Saoedi-Arabië zijn gegaan. Daar is eiser geboren. Eiser heeft verklaard dat hij nooit in Soedan is geweest, maar bij terugkeer vreest voor de algemene veiligheidssituatie daar.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers beroep op de algemene situatie in Soedan.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [1] Eiser heeft namelijk een vals document overgelegd en niet op een andere manier zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk gemaakt. Verweerder vindt eisers herkomst uit Saoedi-Arabië en zijn leeftijd wel geloofwaardig. Verweerder heeft eisers beroep op de algemene situatie in Soedan niet inhoudelijk getoetst, nu eisers nationaliteit ongeloofwaardig is. Verweerder vindt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Verweerder heeft verder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op basis van het buitenschuldbeleid. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst is eiser van mening dat verweerder hem ten onrechte verantwoordelijk houdt voor het overleggen van een vals document. Eiser voert verder aan dat verweerder het tweede overgelegde document zelf had moeten laten onderzoeken door Bureau Documenten, nu hij heeft verklaard waarom hij het pas op 24 juni 2025 kon overleggen. Volgens eiser had verweerder als gevolg hiervan weldegelijk de algemene situatie in Soedan moeten toetsen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beroep niet-tijdig beslissen en beroepen tegen het reële besluit5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. [3] Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. [4]
5.1.
Nadat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld zijn meer dan twee weken verstreken voordat hij op 6 augustus 2025 beroep heeft ingesteld. Op 6 augustus 2025 heeft verweerder alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Nu verweerder op de aanvraag van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
5.2.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op de aanvraag van eiser is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen.
6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij het besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. [5] Eiser kan zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet gekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegen dit besluit vervolgens ook afzonderlijk beroep ingesteld (zaak met nummer NL25.37999). Dit laatste beroep zal de rechtbank wegens een gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren.
Het bestreden besluit7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en zijn aanvraag kennelijk ongegrond kon worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder eisers identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig kunnen vinden?8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eisers identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig is.
8.1.
Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser een uittreksel van de burgerlijke stand heeft overgelegd dat door Bureau Documenten vals is bevonden. Eisers betoog dat het document op niet reguliere wijze bij hem terecht is gekomen en hij er vanuit ging dat het origineel was, biedt hiertoe onvoldoende verklaring. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat aan de foto’s van een geboorteakte en identiteitskaart uit Saoedi-Arabië geringe waarde kan worden gehecht, nu deze documenten niet kunnen worden onderzocht op echtheid.
8.2.
Eiser heeft op 24 juni 2025 een nieuw document ingebracht. Dit betreft een document dat zou zijn afgegeven door de Soedanese ambassade in Saoedi-Arabië. Bureau Documenten heeft onderzoek gedaan naar dit document. Uit het onderzoek is gebleken dat het document waarschijnlijk niet echt is en de legalisatie van het Saoedische Ministerie van Buitenlandse Zaken hoogstwaarschijnlijk frauduleus is verkregen. In het licht hiervan geeft dit document geen aanleiding om tot een andere conclusie ten aanzien van eisers identiteit en nationaliteit te komen.
8.3.
Het onderzoek naar het nieuw ingebrachte document heeft plaatsgevonden nadat eiser op eigen initiatief het document op 15 september 2025 had opgestuurd naar Bureau Documenten. Eiser vindt dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door het document niet zelf eerder aan Bureau Documenten voor te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om onderzoek te laten doen naar dit document, nu het document niet kan worden gezien als officieel identificerend document, niet valt in te zien hoe eiser het document louter op basis van een foto van een Saudische identiteitskaart heeft kunnen verkrijgen via een familielid en waarom dit pas in een zodanig laat stadium van de procedure is gebeurd.
Heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond?9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen, omdat eiser een vals document heeft overgelegd en hier geen verschoonbare verklaring voor heeft. Dat eiser stelt dat hij zijn uiterste best heeft gedaan en nog steeds doet om aan documenten te komen, leidt niet tot een ander oordeel.
10. Eisers beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en het niet verlenen van een reguliere verblijfsvergunning op basis van het buitenschuldbeleid slagen reeds niet, nu eiser deze beroepsgronden niet heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep in de zaak met nummer NL25.36356, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht
vastgesteld op € 453,50. [6]
12. Het beroep in de zaak met nummer NL25.36356, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 6 augustus 2025, is ongegrond. Eiser krijgt in zoverre geen vergoeding van zijn proceskosten.
12. Het beroep in de zaak met nummer NL25.37999 is niet-ontvankelijk.
14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.36356, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.36356, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak NL25.37999 niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 453,50.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c en e, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
6.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor ½.