ECLI:NL:RBDHA:2025:21142
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na beslissing op beroep in vreemdelingenrecht
Verzoeker, van Letse nationaliteit, had een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn EU-verblijfsrecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren. Dit primaire besluit was genomen op 31 mei 2023 en het bezwaar daarop werd op 22 oktober 2024 ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in tegen het bestreden besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 3 juli 2025. Op de datum van de uitspraak, 21 oktober 2025, was er reeds een uitspraak gedaan op het beroep in zaak NL25.45509. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en is definitief, zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat gelijktijdig op het beroep is beslist.