Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21156

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.44772 en NL25.52454
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 29, tweede lid, Verordening (EU) 604/2013Verordening (EU) 2024/1351
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtmatigheid overdrachtsbesluit en verlenging overdrachtstermijn aan Spanje in Dublinprocedure

Eiser, een Egyptische asielzoeker, diende op 9 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot op 16 september 2025 de aanvraag niet te behandelen en stelde een overdrachtsbesluit vast om eiser aan Spanje over te dragen, waar hij met een visum de EU was binnengekomen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en tegen de verlenging van de overdrachtstermijn tot 18 maanden.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Spanje verboden moet worden vanwege schending van artikel 4 van Pro het Handvest, gebaseerd op ervaringen van mishandeling en discriminatie in Spanje. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij verweerder mag aannemen dat Spanje aan zijn verplichtingen voldoet.

Daarnaast stelde eiser dat verweerder mogelijk AI of case matcher gebruikte bij de besluitvorming, wat niet werd bevestigd. Eiser werd ook verweten niet beschikbaar te zijn voor overdracht door het verlaten van de opvang zonder mededeling, wat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtvaardigde.

De rechtbank concludeerde dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is genomen, de verlenging van de overdrachtstermijn terecht is, en verklaarde beide beroepen ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het overdrachtsbesluit en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Spanje ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.44772 en NL25.52454

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 2025, Egyptische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
Eiser,
(gemachtigde: mr. A. Saakjan),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Procesverloop

Eiser heeft op 9 maart 2025 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 16 september 2025 bepaald dat hij deze aanvraag niet in behandeling neemt en heeft een overdrachtsbesluit vastgesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit (NL25.44772) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.44773).
Verweerder heeft op 21 oktober 2025 de overdrachtstermijn tot 18 maanden verlengd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit om de overdrachtstermijn te verlengen (NL25.52454) en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.52455).
De rechtbank heeft beide beroepen en beide verzoeken gelijktijdig op 7 november 2025 ter zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, net als de gemachtigde van verweerder, verschenen.

Overwegingen

Feiten en standpunten van partijen
1. Eiser heeft een asielaanvraag in Nederland ingediend. Eiser is echter met een door de Spaanse autoriteiten verleend visum de Unie ingereisd. Verweerder heeft daarom een claimverzoek ingediend bij de Spaanse autoriteiten en deze autoriteiten hebben dit verzoek op 23 mei 2025 aanvaard, zodat op 23 mei 2025 een claimakkoord tot stand is gekomen. Verweerder wil eiser op grond van het claimverzoek overdragen aan Spanje.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de overdracht moet worden verboden omdat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Indien de overdracht niet wordt verboden, moet verweerder gebruik maken van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Eiser heeft in Spanje een aantal dagen op straat moeten verblijven, is toen mishandeld en beroofd en is door de Spaanse politie niet geholpen. Eiser stelt dat de politie hem niet wilde helpen omdat hij een Arabier is en dat deze discriminatie ook een schending van artikel 4 van Pro het Handvest is. Eiser stelt tevens dat van hem niet kan worden verwacht dat hij zijn stellingen met documenten onderbouwt.
Eiser vindt verder dat de overdrachtstermijn ten onrechte is verlengd. Eiser stelt dat hij niet is ondergedoken, maar dat sprake is geweest van een misverstand. Eiser zal ter zitting verschijnen en daaruit blijkt dat hij dus niet met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden van beroep aangevoerd dat het besluit zodanig onzorgvuldig is gemotiveerd dat het wel zo moet zijn dat verweerder gebruik heeft gemaakt van case matcher of AI en dat verweerder uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming moet vermelden als dit het geval is. Eiser heeft deze grond onderbouwd met verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Groningen en een artikel in het Advocatenblad met als titel ‘Moet ambtenaar AI-gebruik melden?’.
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat ondanks de zogenoemde ‘mob-melding’ sprake is van procesbelang. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven steeds contact te hebben gehad met eiser en eiser is verschenen ter zitting. De rechtbank zal beide beroepen ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
Het overdrachtsbesluit
4. Verweerder mag in beginsel ten aanzien van Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag dus aannemen dat indien hij eiser overdraagt, de Spaanse autoriteiten zijn asielaanvraag zullen behandelen en hem gedurende de asielprocedure opvang zullen verlenen en mag aannemen dat de asielprocedure en de opvang voldoen aan de minimumeisen die het Unierecht hieraan stelt. Verweerder moet uit eigen beweging nagaan of de Spaanse autoriteiten aan deze verplichtingen voldoet als hij een overdrachtsbesluit vaststelt en als hij een overdrachtsbesluit feitelijk uitvoert. Verweerder is immers verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen omdat artikel 4 van Pro het Handvest een algemene regeling is en van toepassing is als verweerder het Unierecht ten uitvoer legt door een beslissing te nemen op een asielaanvraag. Eiser kan zelf ook feiten en omstandigheden aandragen om te onderbouwen dat artikel 4 Handvest Pro aan de overdracht in de weg staat. De rechtbank controleert -zo nodig ambtshalve – ook of de overdracht moet worden verboden omdat artikel 4 Handvest Pro hieraan in de weg staat. De rechtbank beoordeelt in dit verband of de asielprocedure en/of de opvang voldoen aan de eisen die uit het Unierecht voortvloeien. Ook zal de rechtbank -zo nodig ambtshalve- nagaan of sprake is van een zogenoemde C.K.- of Jawo-situatie en dat meebrengt dat de overdracht moet worden verboden.
5. Verweerder heeft in zijn besluit gemotiveerd dat de overdracht van eiser aan Spanje geen reëel en voorzienbaar risico op een 4 Handvest-schending voor eiser oplevert. De rechtbank overweegt dat de gronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd niet slagen. De verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Spanje voorafgaand aan zijn komst naar Nederland leveren geen indicatie op voor een schending van artikel 4 Handvest Pro na de overdracht. Eiser heeft geen asielaanvraag in Spanje ingediend en viel dus niet onder de werkingssfeer van de Opvangrichtlijn. Voor zover eiser op straat heeft moeten slapen is dat geen indicatie dat de Spaanse autoriteiten geen opvang zullen bieden indien eiser na de overdracht aangeeft zijn asielaanvraag die hij reeds in Nederland heeft gedaan te willen handhaven. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser ter zitting nadat de rechtbank dit aan eiser heeft uitgelegd, heeft verklaard dat hij wel een asielaanvraag in Spanje wilde indienen, maar dat de autoriteiten dat niet toestonden. De rechtbank overweegt dat eiser dit niet eerder heeft verklaard en dat dit ook niet in de zienswijze, de gronden, de aanvullende gronden en de toelichting op de gronden ter zitting naar voren is gebracht. Deze verklaring is ook niet verenigbaar met de verklaring die eiser in het aanmeldgehoor heeft afgelegd dat hij in Spanje geen asielaanvraag heeft ingediend. In Eurodac is bovendien niet geregistreerd dat eiser in Spanje een asielaanvraag zou hebben ingediend. De rechtbank kent aan deze ter zitting afgelegde verklaring dan ook geen gewicht toe. De stelling van eiser dat hij door de Spaanse politie zou zijn gediscrimineerd omdat zij geen interesse toonden toen hij aangifte wilde doen, staat niet in de weg aan de overdracht van eiser aan Spanje. De rechtbank overweegt dat deze stelling weliswaar niet met documenten kan worden onderbouwd omdat de Spaanse autoriteiten geen document zullen opstellen waarin zij vermelden dat ‘ze geen aangifte van eiser opnemen omdat eiser Arabier is’. De rechtbank overweegt dat deze verklaring evenwel niet past in de algemene informatie over Spanje en dat overigens, voor zover van deze verklaring zou moeten worden uitgegaan, dit geen artikel 4 Handvest Pro-schending oplevert en bovendien geen indicatie is dat eiser na overdracht te maken krijgt met systeemfouten in de asielprocedure en/of opvang.
6. De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13134) waarmee eiser zijn standpunt wil onderbouwen, is niet relevant. In die procedure was de betreffende vreemdeling na door de Duitse autoriteiten aan Spanje te zijn overgedragen, verstoken gebleven van opvang. De ervaring die die vreemdeling in Spanje heeft gehad na de eerdere Dublinoverdracht waren in die procedure wel relevant omdat daaruit indicaties konden blijken dat die vreemdeling na een overdracht door verweerder wederom van opvang verstoken zou blijven. Verweerder had dat in die procedure nader moeten onderzoeken en onderbouwen. In diezelfde uitspraak heeft de rechtbank gewezen op de zogenoemde Inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Spanje is gestart. De rechtbank overweegt ook nu dat hieruit blijkt dat Spanje in gebreke is met het volledig voldoen aan al zijn Unierechtelijke verplichtingen en dat deze gebreken ook de asielopvang betreffen. De rechtbank overweegt dat hieruit niet zonder meer blijkt dat eiser na overdracht een reëel risico loopt op het niet verkrijgen van toegang tot de opvang. Eiser heeft overigens geen actuele informatie overgelegd waaruit volgt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt tot slot dat er geen actuele informatie over de positie van Dublinclaimanten is waaruit blijkt dat er na de overdracht geen toegang is tot de asielprocedure en/of opvang of dat deze van onvoldoende kwaliteit zouden zijn. De rechtbank stelt ook vast dat er geen indicaties zijn dat sprake is van een C.K.- of Jawo-situatie en dat er ook geen aanleiding is om dit thans nader te onderzoeken. Eiser heeft verklaard dat hij in Spanje geen mentale zorg zou kunnen krijgen. Eiser heeft in de gehele procedure verder niet verklaard dat hij mentale zorg of andere medische zorg behoeft. De rechtbank zal de overdracht aan Spanje dan ook niet verbieden.
7. De beroepsgrond van eiser dat verweerder gebruik moet maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen slaagt niet. Eiser heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat hij in Spanje geen opvang heeft gekregen, is mishandeld en vervolgens door de Spaanse politie is gediscrimineerd omdat hij werd weggestuurd toen hij aangifte wilde doen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het overdrachtsbesluit kenbaar op alle aangedragen argumenten is ingegaan en deze in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en vervolgens heeft beslist dat de overdracht aan Spanje niet getuigt van onevenredige hardheid. De rechtbank overweegt dat deze weging van de door eiser aangedragen argumenten niet onredelijk is.
8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het wel zo moet zijn geweest dat verweerder een vorm van AI of case matcher heeft gebruikt in deze procedure omdat de overwegingen in het besluit niet aansluiten op de zienswijze. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft voorafgaand aan de behandeling van de beroepen ter zitting contact opgenomen met de beslismedewerker en deze heeft verzekerd dat er geen AI is gebruikt bij het nemen van de beslissing op de asielaanvraag. De rechtbank twijfelt niet aan deze mededeling die verweerder ter zitting heeft gedaan. De rechtbank ziet overigens, anders dan gemachtigde van eiser, geen indicaties in de besluitvorming dat AI zou zijn gebruikt. Verweerder heeft ook in deze procedure een standaard-voornemen uitgebracht en het besluit bevat naast enkele slordigheden ook veel standaardmatige overwegingen. Dit betekent niet dat het besluit ontoereikend is gemotiveerd. In het besluit is ingegaan op de door eiser in zijn gehoor en in de zienswijze aangedragen argumenten. De rechtbank is het wel eens met gemachtigde van eiser dat indien verweerder in zijn besluitvorming gebruik zou maken van AI, vergelijkbare algoritmes of case matcher, verweerder dit kenbaar moet maken. Anders dan gemachtigde van eiser, gaat de rechtbank er ook van uit dat verweerder dit begrijpt en ook uit eigen beweging zal doen. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven hier minder vertrouwen in te hebben omdat verweerder steeds minder transparant lijkt te worden getuige ook het niet bekendmaken van de algemene ambtsberichten, overweegt de rechtbank dat het de Minister van Buitenlandse Zaken is geweest die -geheel ten onrechte- meende dat het juridisch toelaatbaar was om algemene ambtsberichten niet langer te publiceren en dat verweerder hier, net als de wederpartij en de rechtbank, ‘last van heeft gehad’. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet slaagt en de rechtbank voegt hieraan toe dat de rechtbank bij de voorbereiding en de beoordeling van het beroep en bij de totstandkoming van deze uitspraak geen gebruik heeft gemaakt van AI en/of algoritmes.
9. De rechtbank concludeert dat het overdrachtsbesluit rechtmatig is genomen en dat verweerder bevoegd is om eiser thans aan Spanje over te dragen.
Verlengen van de overdrachtstermijn
10. Door verweerder zijn stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser op 20 oktober 2025 de opvang heeft verlaten. Verweerder heeft aangegeven dat eiser niet uit eigen beweging aan verweerder heeft medegedeeld dat hij de opvang ging verlaten, dat eiser ook niet heeft medegedeeld waar hij zou verblijven en dat eiser zich na het verlaten van de opvang niet meer heeft gemeld bij verweerder. Verweerder heeft de termijn waarbinnen hij de overdracht moet realiseren om niet verantwoordelijk te worden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser daarom verlengd.
11. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat hij dacht dat hij geen recht meer had op opvang omdat in het overdrachtsbesluit is vermeld dat hij zich moet begeven naar Spanje. Volgens eiser is er dus sprake van een misverstand en is hij niet ondergedoken om de overdracht te voorkomen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daargelaten dat verweerder onbetwist heeft gesteld dat eiser bij aanvang van de procedure is geïnformeerd over zijn rechten en verplichtingen, is in het overdrachtsbesluit ook vermeld dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft totdat hij wordt overgedragen aan Spanje en dat DT&V de overdracht regelt en aan eiser zal mededelen wanneer de overdracht plaatsvindt. Ook blijkt uit de rechtsmiddelenclausule dat eiser rechtmatig verblijf heeft als hij beroep instelt en verzoekt om een voorlopige voorziening. Eiser heeft, gelet op het ingediende beroep en verzoek, zijn gemachtigde de opdracht gegeven om rechtsmiddelen aan te wenden en was er dus om al deze redenen van op de hoogte dat hij, anders dan wanneer Verordening (EU) 2024/1351 van toepassing wordt, zijn recht op opvang niet verliest op het moment dat het overdrachtsbesluit aan hem wordt uitgereikt. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij dit ook heeft besproken met eiser na de ontvangst het verlengingsbesluit en eiser heeft aangeraden om naar Ter Apel te gaan om zich te melden voor opvang. De rechtbank heeft eiser ter zitting vragen gesteld over zijn proceshouding en de gevolgen van zijn vertrek uit de opvang medegedeeld. Eiser heeft verklaard dit te begrijpen. Eiser heeft niet verklaard dat dit een misverstand was en eiser heeft niet verklaard nu pas gevolgen te onderkennen van het verlaten van de opvanglocatie zonder mede aan verweerder mede te delen waar hij verblijft. Eiser heeft ook niet verklaard zich na de zitting onverwijld te gaan melden bij verweerder of mededeling te doen van zijn verblijfplaats. Eiser is dus vanaf het moment dat hij de opvang heeft verlaten niet beschikbaar geweest voor de feitelijke overdracht en de voorbereiding hiervan door onder meer het voeren van vertrekgesprekken met DT&V en is, blijkens zijn ter zitting afgelegde verklaringen, ook niet van plan deze situatie te wijzigen. De rechtbank overweegt dat deze gedragingen van eiser door verweerder terecht worden aangemerkt als onderduiken zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) 604/2013. Uit het verschijnen ter zitting kan worden afgeleid dat eiser belang stelt in de uitspraak van de rechtbank. Dat sprake is van procesbelang staat echter niet in de weg aan de conclusie dat eiser is ondergedoken. Eiser is door het niet mededelen aan verweerder van contactgegevens en gegevens waar hij verblijft niet bereikbaar voor verweerder en dus ook niet beschikbaar voor de overdracht. Verweerder was dus bevoegd om de overdrachtstermijn te verlengen en het beroep dat hiertegen is gericht is dan ook ongegrond.
12. De rechtbank concludeert dat beide beroepen niet slagen.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep tegen overdrachtsbesluit ongegrond (NL25.44772);
-verklaart het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn ongegrond (NL25.52454).
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Beckers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 11 november 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroepschrift in beide zaken moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.