Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
NL25.32267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 42 VwArt. 31 lid 5 richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Syrië met verlenging beslistermijn

Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 18 september 2023 een asielaanvraag in. De minister van Asiel en Migratie stelde op 11 december 2024 een besluit- en vertrekmoratorium in voor Syrische vreemdelingen, waardoor de beslistermijn werd verlengd van zes naar achttien maanden. Nadat deze termijn was verstreken zonder besluit, stuurde eiser op 24 juni 2025 een ingebrekestelling, waarna de minister nog steeds niet besliste.

Eiser stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de verlengde termijn heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat de beslissing wordt vertraagd, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos en griffier C. Gümüş en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32267

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet verweerder binnen zes maanden op de aanvraag beslissen. Op 11 december 2024, in werking getreden op 14 december 2024, heeft verweerder een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden na de asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden is verlengd met twaalf maanden en dat dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het besluitmoratorium zijn ingediend in beginsel een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden geldt.
4. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft de asielaanvraag ingediend op 18 september 2023. Na het verstrijken van de beslistermijn van achttien maanden heeft verweerder op 24 juni 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Verweerder heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, een andere termijn te geven.
6. Hoewel de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), op korte termijn gaat verstrijken of inmiddels is verstreken, overweegt de rechtbank dat de besluitvorming op de asielaanvraag te allen tijde op een zorgvuldige manier dient te gebeuren en dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak reeds heeft bepaald binnen welke termijn een zorgvuldig besluit genomen kan worden.
7. Omdat er in dit geval op 30 oktober 2024 een nader gehoor met eiser is gehouden, zal de rechtbank in lijn met deze uitspraak van de Afdeling bepalen dat verweerder binnen acht weken op de aanvraag dient te beslissen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
9. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.