ECLI:NL:RBDHA:2025:21167
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling bij asielaanvraag Syrië
De zaak betreft een beroep van een asielzoeker uit Syrië tegen de minister van Asiel en Migratie wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De eiser diende zijn aanvraag in op 25 maart 2024. Op 11 december 2024 werd een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, waardoor de beslistermijn voor asielaanvragen uit Syrië werd verlengd van zes naar achttien maanden.
De eiser stuurde op 25 juni 2025 een ingebrekestelling aan de minister, maar op dat moment was de verlengde beslistermijn nog niet verstreken. Volgens artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet een ingebrekestelling pas worden gedaan nadat de beslistermijn is verlopen. Omdat de ingebrekestelling te vroeg was, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk zonder zitting.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard vanwege een te vroege ingebrekestelling.